Rb. Midden-Nederland 6 juni 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2284

Beroep. Toerekening afkoop pensioen aan inkomen bij Anw-uitkering. Bij een afkoopsom van een pensioen is geen sprake van een incidentele uitkering die door maandelijkse opbouw tot stand is gekomen, zoals bedoeld in de uitspraak van de CRvB van 15 november 2002. Een afkoopsom wordt berekend aan de hand van de contante waarde van het opgebouwde pensioen en deze contante waarde is niet alleen afhankelijk van de duur van de deelname aan het pensioenfonds, maar ook van de hoogte van destijds genoten loon en premieafdracht en van de levensverwachting. Het betreft dus niet de totaalsom van in het verleden opgebouwd inkomen, waarvan de uitbetaling is uitgesteld, zoals bij een eindejaarsuitkering het geval is. Een pensioen wordt opgebouwd door het afdragen van pensioenpremies, met als doel om een inkomensvoorziening te creëren vanaf de pensioendatum, hetgeen resulteert in een maandelijks inkomen vanaf de pensioendatum. Met de afkoop van het pensioen is de pensioenbestemming aan de pensioenaanspraken komen te vervallen. Het kan dan ook niet langer worden gezien als een inkomensvoorziening voor de toekomst. Door de ontvangst van de afkoopsom heeft eiseres immers de vrije besteding over deze som gekregen. Het betreft al met al een op zichzelf staand bedrag dat noch uitsluitend door periodieke opbouw in het verleden tot stand is gekomen, noch kan worden beschouwd als een inkomensvoorziening voor de toekomst, maar dient te worden beschouwd als een incidentele uitkering in de maand waarin het is uitbetaald en voor de verrekening van de Anw-uitkering aan die maand moet worden toegerekend. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken