Rb. Midden-Nederland 26 april 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9558

Trefwoorden: wet openbaarheid van bestuur, documenten kwijt geraakt, weglakken namen, persoonsgegevens Wetsartikelen: artikel 10 en 11 Wob Samenvatting: Verweerder heeft naar aanleiding van het Wob-verzoek een lijst opgesteld met 59 documenten. Vanaf dat moment was duidelijk dat het Wob-verzoek (in ieder geval) betrekking had op die documenten. Nu verweerder het behoud van een deel van deze documenten niet heeft weten te waarborgen, is niet meer na te gaan of verweerder zich bij het bestreden besluit in redelijkheid met een beroep op artikel 11 van de Wob op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze documenten niet openbaar gemaakt konden worden. Het zal er dan ook voor worden houden dat de weigeringsgrond van artikel 11 van de Wob zich voor de zoekgeraakte stukken niet voordeed. Naar aanleiding van de behandeling ter zitting heeft verweerder nog nadere stukken (gedeeltelijk) openbaar gemaakt, met weglakking van namen van medewerkers. Verweerder heeft hierbij een beroep gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De rechtbank komt tot het oordeel dat, nu eiseres geenszins het belang bij openbaarmaking van de namen van de medewerkers heeft onderbouwd, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval in redelijkheid niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van de openbaarheid. Deze beroepsgrond faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen