Rb. Midden-Nederland 7 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ7402
Wat partijen verdeeld houdt is of verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft mogen weigeren, omdat eiseres het inburgeringsexamen niet heeft behaald. In paragraaf B1/4.7.2.3 van de Vc, onder kopje B, "Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen", is vermeld in welke situaties de hardheidsclausule kan worden toegepast. Niet in geschil is dat eiseres niet aan al deze voorwaarden voldoet, ondanks dat zij daarop is gewezen en in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij daaraan voldoet. De rechtbank stelt vast dat deze paragraaf een uitwerking is van artikel 3.80a, vierde lid, van het Vb. Dat artikel ziet op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, welke aanvraag (ook) kan worden afgewezen indien niet is voldaan aan het inburgeringsvereiste. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat dit beleid ook van toepassing is op vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Met toepassing van artikel 8:69, derde lid, van de Awb stelt de rechtbank vast dat volgens verweerders beleid inderdaad voormelde beleidsregel van overeenkomstige toepassing is verklaard op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voormelde paragraaf B1/4.2.7.3, kopje B, is immers volgens paragraaf B1/7.1.11.3 van de Vc, van overeenkomstige toepassing. Voor zover de door eiseres aangevoerde omstandigheden al niet zijn betrokken bij de vaststelling van paragraaf B1/7.1.11.3 van de Vc, gelezen in samenhang met paragraaf B1/4.2.7.3 van de Vc, heeft verweerder deze terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan hij van zijn beleidsregel had moeten afwijken. Daarbij heeft verweerder het belang en het doel van het inburgeringsexamen mogen betrekken. Met de in het kader van de inburgeringsplicht getroffen maatregelen wordt immers de verwezenlijking gewaarborgd van het nagestreefde doel, namelijk het overbruggen van achterstanden bij de integratie van minderheden, het voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan en het bevorderen van de sociale cohesie van de samenleving (zie MvT betreffende de Regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering), TK 2005-2006, 30 308, nr. 3). Dit doel is breder dan het door eiseres geopperde doel van het inburgeringsexamen, namelijk het zelfstandig opbouwen van een bestaan in Nederland, zonder dat daarbij een uitkering wordt genoten. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl