Rb. Midden-Nederland 2 april 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6586
Verzoeker is naar aanleiding van klachten die door een tweetal collega’s van verzoeker zijn ingediend geschorst. Verweerder heeft het dienstverband met verzoeker per 1 maart 2013 opgezegd. Voorzieningenrechter: Aangezien verzoeker als ambtenaar is aangesteld en op grond van art. 1 van de AW degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn ‘ambtenaar’ is, heeft verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het ambtenaarschap behouden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zien de bepalingen van het BW die van toepassing zijn verklaard, op het ontslag uit een privaatrechtelijke arbeidsverhouding. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat art. 7:615 BW in de weg staat aan toepassing van boek 7, titel 10, van het BW, aangezien in dit artikel is bepaald dat de bepalingen van boek 7, titel 10, van het BW niet van toepassing zijn ten aanzien van personen in dienst van staat, provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, tenzij zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard. (…) Nu de CAO en boek 7, titel 10, van het BW niet van toepassing kunnen zijn, ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit op een andere, toereikende grondslag berust. De voorzieningenrechter stelt vast dat de op 16 december 2010 vastgestelde rechtspositieregeling geen regeling bevat omtrent de beëindiging van ambtelijke aanstellingen. Nu de aanstelling, zoals hierboven overwogen, niet kan worden beëindigd door toepassing van boek 7, titel 10, van het BW en de rechtspositieregeling daarnaar derhalve ten onrechte verwijst, moet worden geconcludeerd dat voor de ambtenaren die bij verweerder in dienst zijn, in het geheel geen regels gelden welke specifiek zien op de beëindiging van hun aanstelling. Daarmee heeft verweerder niet voldaan aan de verplichting die art. 125 van de AW hem oplegt. Verweerder had derhalve niet kunnen volstaan met het onverkort en zonder enig voorbehoud van toepassing verklaren van de CAO, inclusief de bepalingen van boek 7, titel 10, van het BW. Dat verweerder zich in de gemeenschappelijke regeling daartoe heeft verplicht, doet aan het voorgaande niet af, nu vaststaat dat het van toepassing verklaren van boek 7, titel 10 van het BW op de aanstelling van ambtenaren, in strijd is met art. 7:615 BW en met de artt. 1 en 125 AW. Voor ambtenaren zoals verzoeker heeft een en ander tot gevolg dat er een leemte bestaat in hun rechtspositieregeling met betrekking tot de gronden voor ontslag, alsmede de waarborgen en voorwaarden die daarbij hebben te gelden. In het onderhavige geval heeft deze leemte er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter toe geleid dat in het besluit van 22 november 2012 elke grondslag tot het opzeggen van het dienstverband ontbreekt. Naar voorlopig oordeel zal verweerder derhalve eerst het rechtspositiereglement moeten aanvullen met ontslagbepalingen alvorens hij tot een rechtmatig ontslag van een bij hem werkzame ambtenaar kan overgaan. De wijze waarop verweerderheeft getracht de geconstateerde leemte op te vullen, kan naar voorlopig oordeel geen stand houden, nu een ontslagbesluit moet steunen op een ingevolge art. 125 AW vastgestelde rechtspositieregeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl