Rb. Midden-Nederland 19 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ4204
Eiser voert aan dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, nu hij bij beschikking van de Rb. in het kader van de Wet Bopz is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Naar de mening van eiser is het niet mogelijk om de maatregel van bewaring en een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis naast elkaar te laten voortduren. Op basis van de door verweerder verstrekte informatie dient het ervoor te worden gehouden dat eiser naar het psychiatrisch ziekenhuis is overgeplaatst op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw, en dat hiervoor door de Rb. een machtiging op grond van de Bopz is gegeven. De bewaringsmaatregel wordt hierdoor nu ten uitvoer gelegd in een psychiatrisch ziekenhuis. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld in reactie op de door verweerder verstrekte inlichtingen, zodat kan worden uitgegaan van verweerders toelichting dat de overplaatsing van eiser op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw - in het kader van eisers inbewaringstelling - heeft plaatsgevonden. Dat aan eiser een zogenaamde kamerplaatsing op grond van artikel 53 van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden is opgelegd, is niet van belang voor de vraag of een Bopz-machtiging en toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw samen kunnen vallen. Voor zover eiser heeft willen betogen dat de grond voor de maatregel dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken, niet meer kan worden gehandhaafd, nu eiser verblijft in een gesloten psychiatrisch ziekenhuis, volgt de Rb. dit betoog niet. Daarvoor is redengevend dat de maatregel - die nu ten uitvoer wordt gelegd in dit ziekenhuis - nog steeds ten doel heeft te voorkomen dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en eiser de feiten en omstandigheden die verweerder hieraan ten grondslag heeft gelegd, niet heeft bestreden. De beroepsgrond slaagt niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl