Rb. Midden-Nederland 23 december 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:7399
Trefwoorden: instellingssubsidie, advies “Slagen in Cultuur”, vertrouwensbeginsel, redelijke termijn. Wetsartikelen: artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikelen 3.6, 3.23 en 3.27 van de Regeling op specifiek cultuurbeleid, artikel 4:51, eerste lid, Awb. Samenvatting: Verweerder heeft de vierjaarlijkse instellingssubsidie aan Huize Doorn voor de periode 2013-2016 vastgesteld voor beheer en behoud, maar niet voor de presentatie. De Raad voor Cultuur heeft, ondanks de indeling van Huize Doorn in categorie 4 (Instellingen die vanwege taakuitoefening of collectieniveau het verstrekken van een rijkssubsidie niet rechtvaardigen), geadviseerd voor beheer en behoud van de collectie wel subsidie te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Verweerder heeft zich bij zijn besluitvorming mogen baseren op dit advies. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres niet op basis van artikel 3.27, eerste lid, van de Rsc in aanmerking komt voor een instellingssubsidie. Verweerder heeft bij de beoordeling van de subsidieaanvragen een rangorde mogen maken op basis van de criteria van artikel 3.6 van de Rsc. Eiseres komt vervolgens op basis van deze rangorde niet in aanmerking voor een instellingssubsidie. Artikel 3.27, eerste lid, van de Rsc is alleen van toepassing op een instelling die in aanmerking komt voor de instellingssubsidie (categorie1, 2 en 3). Verweerder heeft vervolgens mogen bepalen dat eiseres met analoge toepassing van artikel 3.23, tweede lid, van de Rsc gedeeltelijke subsidie voor beheer en behoud wordt verleend, nu niet in geschil is dat aan de eisen van artikel 3.5, eerste lid van de Rsc is voldaan en eiseres een beheerovereenkomst met de Staat heeft gesloten. Het betoog van eiseres dat haar op grond artikel 3.27, tweede lid, van de Rsc een sterkere begunstigende werking toekomt, omdat er een beheerovereenkomst is gesloten en zij dus ook hoger in de rangorde zou moeten komen, heeft verweerder niet hoeven volgen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een redelijke termijn in acht is genomen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl