Rb. Midden-Nederland 19 december 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:7348
Gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden voor het leiden van een organisatie die in hasj handelt.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/710613-11 (P)
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 december 2013
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] (Marokko) in 1959,
wonende te [woonplaats 1],
thans gedetineerd in de P.I. Nieuwegein, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013, 20 en 21 augustus 2013, 6, 7, 11, 13, 14 en 21 november 2013 en 5 december 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich vanaf 20 augustus 2013 ter terechtzitting laten bijstaan door
mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tenlastelegging is op de zitting van 11 november 2013 gewijzigd. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het leiding geven aan een criminele organisatie, het samen met anderen handelen in hasj en hennep, het samen met anderen aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hasj en hennep, het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen en het samen met anderen voorhanden hebben van cocaïne.
3 Voorvragen
3.1 Geldigheid dagvaarding
De verdediging heeft met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten betoogd dat de dagvaarding (partieel) nietig dient te worden verklaard, omdat de afzonderlijke, aan de verschillende zaaksdossiers gekoppelde verwijten, niet nader geconcretiseerd en gepreciseerd zijn. Pleegdatum, pleegplaats en een andere omschrijving van de hoeveelheid en het type softdrugs ontbreken alsook een omschrijving dan wel aanduiding van de medeplegers, aldus de verdediging. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat feit 2 zich niet tot een limitatieve opsomming van aan zaaksdossiers gekoppelde strafrechtelijke verwijten beperkt en dus niet de expliciete beperking van de in algemeen gevatte termen gegoten delictsomschrijving tot de in de zaaksdossiers beschreven transacties bevat.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, mede gelet op de inhoud van het dossier, voldoende duidelijk is en dat de dagvaarding voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding dat niet slechts de tekst van de tenlastelegging, maar ook de inhoud van het onderliggende ‘zaaksdossier J’ van belang is. Naar dit zaaksdossier wordt op de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde ook expliciet verwezen. De rechtbank acht de dagvaarding voldoende duidelijk, nu de verdediging uit de tenlastelegging bezien in samenhang met het onderliggende ‘zaaksdossier J’ en de daarin gegeven duiding, concreet kon opmaken waartegen zij zich moest verdedigen. Daarmee voldoet deze aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering genoemde eisen.
3.2 Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
3.3 Ontvankelijkheid officier van justitie
Dubbele strafbaarheid
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft verzuimd de betrokken Marokkaanse wettelijke bepalingen aan het dossier toe te voegen, het beginsel van dubbele strafbaarheid uit artikel 5, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet volgen.
De rechtbank overweegt dat het haar ambtshalve bekend is dat – kort gezegd – handel in verdovende middelen en (deelname aan) een criminele organisatie in Marokko strafbare feiten zijn, nog daargelaten de vraag of de strafbare feiten in Marokko zijn gepleegd. Van de dubbele strafbaarheid blijkt naar het oordeel van de rechtbank reeds uit de zich in het dossier bevindende rechtshulpverzoeken en de daaraan door de Marokkaanse autoriteiten verleende medewerking.
Softdrugshandelingen
Voorts heeft de verdediging zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat er sprake is van een partiële niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, voor zover dit feit ziet op de softdrugshandelingen. Geen redelijk denkende officier van justitie kan het deelnemen aan een gedoogde coffeeshop vervolgen als het deelnemen aan een criminele organisatie, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt voorop dat de ruime beleidsvrijheid die het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel bij de in dit verband te nemen beslissingen toekomt, slechts zijn begrenzing vindt in de beginselen van een goede procesorde. Niet is gebleken dat deze beginselen zijn geschonden. Voorts wil het enkele feit dat er sprake is van een gedoogde coffeeshop niet zeggen dat de officier van justitie niet tot vervolging mag overgaan, als bijvoorbeeld sprake is van verdenking van het overtreden van de gedoogvoorwaarden.
De rechtbank is concluderend van oordeel dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging.
3.4 Schorsing van de vervolging
De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert dit op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de onder feit 2 begrepen zaaksdossiers C, D, E, F, G en H heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld, dat enkel uit de verklaringen van[medeverdachte 12] kan worden afgeleid dat hij voor rekening – en in opdracht van verdachte handelde en dat het softdrugsacties betrof. Eerst dan is volgens de verdediging, onder verwijzing naar de Vidgen-jurisprudentie (EHRM 10 juli 2012, LJN: BX3071), het gebruik van de door[medeverdachte 12] afgelegde verklaringen niet in strijd met het recht op een eerlijk proces, indien de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist. Nu er ter zake van voornoemde zaaksdossiers sprake is van een Vidgen-situatie, dient vrijspraak te volgen, aldus de verdediging.
Ten aanzien van de zaaksdossiers A, C, D, F, G en H heeft de verdediging betoogd dat in geen van deze zaaksdossiers verdachte een prominente rol in de concrete voorbereiding van een specifieke transactie heeft gespeeld noch heeft hij een zodanige actieve rol bij de uitvoering van een specifieke transactie vervuld dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.
Ten aanzien van zaaksdossier B heeft de verdediging aangevoerd dat het de vraag is of genoegzaam kan worden vastgesteld of de tapgesprekken zien op de verhandeling van softdrugs met een gewicht van meer dan 30 gram.
Ten aanzien van zaaksdossier I heeft de verdediging, onder verwijzing naar het Meer en Vaart-arrest, aangevoerd dat de gesprekken zien op een levering van ‘chebakia’ en dat deze alternatieve lezing niet wordt weersproken door enig bewijsmiddel, terwijl deze lezing onverenigbaar is met de tenlastelegging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van het aanwezig hebben van de onder feit 3 gespecificeerde hoeveelheden op 27 november 2012, nu daarvoor geen bewijs voorhanden is.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl