Rb. Middelburg 12 augustus 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BK9705

Het geschil 3.1. [eiser] vordert thans voor recht te verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Voorts vordert hij dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de door hem geleden en nog te lijden schade, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] dat onder meer door het op de balkenlaag storten van een veel te dikke betonvloer ter plaatse van de keuken en de hal grote schade is ontstaan. Vermoedelijk wordt door het te grote gewicht van de betonnen vloer de rest van de constructie te zwaar belast, met alle gevolgen van dien. [eiser] stelt voorts dat hij na de rapportage van [betrokkene] gedurende een zekere tijd een afwachtende houding heeft aangenomen om te zien of er, zoals [betrokkene] in zijn rapport had aangenomen, inderdaad een eindfase was ingetreden. Bij nieuw onderzoek in 2008 is echter gebleken dat sprake was van nieuwe scheurvorming. Volgens de door [eiser] ingeschakelde constru[naam] dient de vloer geheel te worden gesloopt, moeten – als er weer een even zware betonvloer moet worden aangebracht - de funderingsstroken verzwaard worden en moet (dan) tevens de vloerverwarming worden vervangen. [eiser] acht [gedaagde] aansprakelijk voor de daarmee gemoeide kosten. [eiser] beroept zich er tevens op dat [gedaagde] hem 10 jaar garantie heeft verstrekt op arbeid en materiaal. Hij meent dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van die garantiebepaling. Die bepaling vormt een onlosmakelijk geheel met de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk, aldus [eiser]. 3.3. [gedaagde] verweert zich tegen de vordering van [eiser]. Kort gezegd betwist hij dat hij is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hij wijst er in dat verband op dat [betrokkene] indertijd de door [gedaagde] gestelde tekortkomingen niet heeft onderschreven en dat hij in het licht van dat rapport ook niet gehouden was om reparaties uit te voeren. Ook thans is niet gebleken van de noodzaak tot het verrichten van reparaties, aldus [gedaagde]. [gedaagde] stelt bovendien dat de rechtsvordering van [eiser], gelet op het bepaalde in artikel 7:761 lid 1 BW, is verjaard. Wat betreft de door [eiser] ingeroepen garantiebepalingen, stelt [gedaagde] dat [eiser] hem nimmer heeft verzocht om op grond van de verstrekte garantie bepaalde (reparatie-) werkzaamheden te komen verrichten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen