Rb. Middelburg 8 juli 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BK8844

De feiten Eiseres heeft in 2000 in het kader van een aan de Combinatie Saeftinge gegunde opdracht gewerkt aan het aanleggen van een geulwandverdediging op de linkeroever van de Westerschelde. Het werk bestond uit onder meer het storten van steenachtig materiaal, dat door De Hoop Handel B.V. te Terneuzen (hierna: De Hoop) aangeleverd. De Hoop had daartoe reisbevrachtingen gesloten met onder meer [overledene] (hierna: [overledene]), die voer met het (Nederlandse) schip “Henny”. Voor het lossen en afstorten van de stortsteen had eiseres het aan haar toebehorende (Belgische) steenstortkraanponton “Idefix” ingezet. 2.2. Op donderdag 9 maart 2000 heeft de “Henny” 2000 ton staalslak bij de “Idefix” aangeleverd. Na afloop van de lossingsprocedure is de “Henny” als gevolg van een verkeerde vaarmanoeuvre tegen de “Idefix” aangevaren. De “Idefix” is daardoor beschadigd geraakt. 2.3. Na opname van de schade is direct met de reparatie van het ponton aangevangen. Op vrijdag 17 maart 2000 kon de “Idefix” haar werkzaamheden hervatten. De stilligperiode bedroeg aldus 5 werkdagen. 2.4. Bij brief aan [overledene] van 10 maart 2000 heeft De Hoop hem aansprakelijk gesteld voor: “(…) de directe schade en gevolgschade door U veroorzaakt met m.s. “Henny” op 9-3-2000 bij Dredging International N.V. op het project: Geulwandverdediging Verdronken land van Saeftinge. Door de “Henny” werd een railing en lier van de steenstortponton “Idefix” zwaar beschadigd, waardoor de “Idefix” buiten bedrijf gesteld is. Buiten de directe schade aan de “Idefix zullen stilstandkosten en overligkosten van reeds beladen schepen ontstaan. Zodra deze kosten bekend, zijn zullen wij deze bij U in rekening brengen. Wij verzoeken U z.s.m. Uw verzekeraar in te schakelen.” Op dezelfde dag heeft De Hoop deze aansprakelijkheidstelling naar de verzekeraar van [overledene], EFM onderlinge schepenverzekering u.a. (hierna: EFM) gezonden. 2.5 Tussen eiseres en EFM is discussie ontstaan over de vraag of de door eiseres gestelde bedrijfschade en andere gevolgschade dienden te worden vergoed. EFM heeft wel – in november 2000 – de door eiseres gestelde zaaksschade vergoed. Namens eiseres is in brieven van 5 maart 2002 en op 17 februari 2004 aan EFM “uw verzekerde” (wederom) aansprakelijk gesteld voor de (bedrijfs-)schade. In beide brieven is aangegeven dat zij als stuitingshandelingen in de zin van art. 3:317 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dienen te worden gezien. 2.6. [overledene] is op 1 december 2001 te Terneuzen overleden. Gedaagden – de erven – hebben zijn nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard. 2.7. Gedaagden zijn op 7 februari 2006 gedagvaard in deze zaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen