Rb. Middelburg 25 juni 2008, ECLI:NL:RBMID:2008:BD6587

'' (..)'' eiser in conventie] heeft ter gelegenheid van het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de brief d.d. 10 maart 2008 met stukken van de wederpartij. De rechtbank staat toe dat de betreffende stukken in het geding worden gebracht. [gedaagde sub 1] heeft ter gelegenheid van het pleidooi immers onweersproken gesteld dat de betreffende stukken geen informatie bevatten die nieuw is voor [eiser in conventie]. Niet is gebleken dat daardoor in strijd wordt gekomen met een goede procesorde in die zin dat [eiser in conventie] benadeeld wordt. ''(..)'' ''(..)'' De rechtbank heeft [eiser in conventie] vervolgens toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die leiden tot de conclusie dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van de overeenkomst d.d. 22 april 2004. [eiser in conventie] heeft daartoe op 15 maart 2007 [gedaagde sub 1] en zichzelf als getuigen doen horen en vervolgens op 22 maart 2007 de heer [C.G.], op 8 mei 2007 de heer [C.A.M.] en tenslotte op 20 juni 2007 de heer [E.K.]. In contra-enquête zijn de heer mr. [C.M.J.]. [C.M.J.] en mevrouw [M.M.J.] gehoord.''(..)'' ''(..)'' Anders dan [gedaagden in conventie] hebben betoogd geldt niet de in artikel 213 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde regel dat hetgeen door een partijgetuige is verklaard geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn. Bij tegenbewijs is de rechter overeenkomstig artikel 179 lid 2 Rv vrij in de waardering van de door de partijgetuige afgelegde verklaring en geldt niet de in artikel 213 Rv neergelegde regel. ''(..)''

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen