Rb. Middelburg 9 mei 2007, ECLI:NL:RBMID:2007:BB6654

''(...)De eerste vraag die voor ligt is door welk recht de door [GEDAAGDE IN CONVENTIE, EISER IN RECONVENTIE] gedane opzegging wordt geregeerd. Op grond van artikel 166 van de Overgangswet NBW blijft op een erfpacht, aangevangen vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet, artikel 766 van het vóór dat tijdstip geldende Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. Dit artikel, dat van overeenkomstige toepassing is op erfpacht, bepaalt dat indien geen bijzondere bedingen of bepalingen in verband met het eindigen van het recht van opstal zijn gemaakt, de eigenaar het recht kan doen eindigen, doch niet vroeger dan na verloop van dertig jaren. De rechtbank passeert de in dit verband door [EISERES IN CONVENTIE, VERWEERSTER IN RECONVENTIE] opgeworpen stelling dat het aan [GEDAAGDE IN CONVENTIE, EISER IN RECONVENTIE] te bewijzen is dat geen bijzondere bedingen of bepalingen aan een opzegging in de weg staan. Het is aan [EISERES IN CONVENTIE, VERWEERSTER IN RECONVENTIE] om feiten te stellen die aan een rechtsgeldige opzegging in de weg staan en om die feiten bij betwisting door [GEDAAGDE IN CONVENTIE, EISER IN RECONVENTIE] te bewijzen. Nu gesteld noch gebleken is dat bijzondere bedingen of bepalingen in verband met het eindigen van de erfpacht/opstal zijn gemaakt en niet blijkt dat er sprake is van een eeuwig durende erfpacht/opstal en tussen partijen vaststaat dat deze meer dan 30 jaar heeft geduurd, (...)''

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen