Rb. Middelburg 22 februari 2007, ECLI:NL:RBMID:2007:BA3658
...Het geschil tussen partijen betreft de vraag of gedaagde beschikt over een geldige jachthuurovereenkomst met betrekking tot de percelen die eisers hebben gekocht van [belanghebbenden 4 en 5]. Beslissend voor het antwoord op die vraag is de interpretatie van artikel 34 lid 1 van de Flora- en Faunawet. Dat artikel luidt voor zover van belang: “Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst”. Uit de tekst van de wet en de toelichting daarop blikt dat een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst nodig is voor het bestaan van een overeenkomst van verhuur van de jacht. Gedaagde beroept zich op het bestaan van een geldige jachthuurovereenkomst met [belanghebbe[belanghebbenden 4 en 5], de vorige eigenaren van de betreffende percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de overgelegde overeenkomst d.d. 10 september 2003, waarin overigens perceel E 1531 niet staat vermeld, niet als zodanig kan worden aangemerkt, nu deze niet is getekend bij het onderdeel “verhuur jachtgenot” maar alleen bij het onderdeel “toestemming grondgebruiker”. Het ontbreken van de voor de totstandkoming van een jachthuurovereenkomst vereiste handtekening kan niet achteraf hersteld worden door een schriftelijke verklaring van de voormalige eigenaren. Ook de verklaring van die voormalige eigenaren in de met eisers gesloten koopovereenkomst en in de leveringsakte, waarnaar door gedaagde wordt verwezen, kunnen een dergelijke overeenkomst niet achteraf tot stand brengen. De verklaringen geven slechts aan dat volgens de verkopers het genot van de jacht tot 1 april 2009 is verhuurd aan gedaagde, maar schept voor gedaagde geen rechten op dat gebied. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde niet over een geldige huurovereenkomst beschikt om de jacht op de voornoemde percelen uit te oefenen. Nu dit door gedaagde niet is betwist, is voorshands komen vast te staan dat hij ook ten aanzien van de percelen E 610 en E 612, die eisers hebben gekocht van (belanghebbende 1) en de belanghebbenden 2 en 3, niet over een geldige jachthuurovereenkomst beschikt. Het desondanks uitoefenen van het jachtrecht op al deze percelen door gedaagde wordt derhalve aangemerkt als onrechtmatig....
De uitspraak op rechtspraak.nl