Rb. Middelburg 21 maart 2007, ECLI:NL:RBMID:2007:BA2516
''(...) De beoordeling Nu de rechtbank ter kennis is gekomen dat [gedaagde] op 25 februari 2005 tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten, zou dit op grond van artikel 313 jo 29 Fw tot schorsing van de procedure in vrijwaring kunnen leiden. Tot ambtshalve schorsing wordt overgegaan indien de rechtsvordering van [eiseres] reeds voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling aanhangig was gemaakt. Ingevolge artikel 125 Rv is op 3 april 2006 met het uitbrengen van de dagvaarding in vrijwaring, deze procedure aanhangig gemaakt. Aangezien dit een later tijdstip is dan de toelating van [gedaagde] tot de schuldsanering wordt de procedure in vrijwaring niet ambtshalve geschorst. 4.2. De vordering tot vrijwaring die [eiseres] heeft ingesteld strekt tot een veroordeling van [gedaagde] tot betaling onder een opschortende voorwaarde. Gelet op de erkenning van [gedaagde] zowel in zijn conclusie van antwoord, als ter zitting bij de comparitie, van de afspraak bij de boedelscheiding dat hij [eiseres] zou vrijwaren voor de schuld bij de bank, staat vast dat [eiseres] en [gedaagde] deze afspraak hebben gemaakt vóór het ingaan van de schuldsanering. Hoewel de voorwaarde pas intreedt op het moment dat [eiseres] aan de bank betaalt, is niettemin sprake van een vordering tot voldoening uit de boedel zoals bedoeld in artikel 299 lid 1onder a en e Fw. (...)''
De uitspraak op rechtspraak.nl