Rb. Middelburg 7 november 2006, ECLI:NL:RBMID:2006:BA2471

Tussen partijen staat als onweersproken vast dat Zeeland Seaports Martens bij besluit van 22 december 2004 voor de duur van 5 jaar, ingaande 1 januari 2005, heeft aangewezen als bedrijf met ontvangstvoorziening voor olieresten en KGA, zoals bedoeld in artikel 6 lid 9 Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs). Hoewel partijen dat niet met zoveel woorden hebben gesteld, gaan zij er blijkens hun stellingen vanuit dat Zeeland Seaports de aanwijzing heeft ingetrokken. Het door Martens gevorderde gebod om met haar de onderhandelingen over het sluiten van een overeenkomst voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2010 voort te zetten, impliceert dat zij zich op het standpunt stelt dat de intrekking van de aanwijzing ten onrechte heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 8.2 onder c kan het Dagelijks Bestuur een aanwijzing intrekken "indien gedurende een jaar weinig scheepsafvalstoffen zijn ingezameld dan wel gedurende een jaar geen of slechts weinig melding is gedaan van de inzameling van scheepsafvalstoffen door de houder van de aanwijzing". Gesteld, noch gebleken is dat de in artikel 8.2 bedoelde situatie zich hier voordoet. Het enkele gegeven dat veel minder afval wordt afgegeven dan verwacht omdat het afgeven van afval niet populair is, zoals de conclusie in het door Zeeland Seaports als productie 2 overgelegde agendapunt 10 voor de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 27 april 2006 luidt, geeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter Zeeland Seaports niet de bevoegdheid om de aanwijzing aan Martens in te trekken om vervolgens al dan niet door middel van een openbare inschrijving een andere inzamelaar aan te wijzen....

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen