Rb. Middelburg 12 juli 2002, ECLI:NL:RBMID:2002:AE7016

Weigering toepassing art. 48 ARAR kan niet worden gegrond op stelling dat niet voldaan is aan voorwaarde dat medische indicatie voor behandeling vooraf moet zijn gegeven. Verweerder heeft (gedeeltelijk) afwijzend beslist op eisers verzoek tot vergoeding van verschillende declaraties over het jaar 1999. Rb.: De thans in geding zijnde weigering om toepassing te geven aan art. 48 ARAR kan niet worden gegrond op de stelling dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de medische indicatie voor een behandeling vooraf moet zijn gegeven. Verweerder is bevoegd om de wijze, waarop hij toepassing wenst te geven aan genoemde bepaling, aan beleidsregels te binden. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op termijnen, waarbinnen declaraties moeten worden ingediend en op de vorm en inhoud van de vereiste verklaringen. Deze bevoegdheid strekt echter niet zover dat het verweerder vrij staat om de in die bepaling gegarandeerde aanspraak op vergoeding van de naar zijn oordeel noodzakelijk gemaakte kosten afhankelijk te doen zijn van een beoordeling vooraf. De bepaling garandeert immers dat de naar het oordeel van de Minister noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging aan de (gewezen) ambtenaar worden vergoed. Ook in het geval de ambtenaar wie het betreft een geneeskundige behandeling heeft ondergaan waarvan de kosten eerst nadien door de Minister als noodzakelijk worden beoordeeld dienen die kosten aan de ambtenaar te worden vergoed. Het feit dat de ambtenaar een aanzienlijk belang heeft bij een beoordeling vooraf waar hij alsdan het risico van voor zijn rekening blijvende kosten mijdt doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank acht verweerders argument dat beoordeling achteraf kan meebrengen dat hij wordt geconfronteerd met hoge declaraties niet relevant, waar een gelijke confrontatie bij beoordeling vooraf denkbaar is. In beide gevallen dienen de kosten te worden vergoed voor zover ‘noodzakelijk’ en voor rekening van eiser blijvend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om vergoeding te verbinden aan de voorwaarde dat vooraf de medische indicatie wordt overgelegd. Beroep gegrond. Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder. mr. G.J.A. van Unnik

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen