Rb. Middelburg 28 augustus 2001, ECLI:NL:RBMID:2001:AD4723

Verblijf in een opvanghuis is niet gelijk te stellen aan het bewonen van een woning. Bijstand naar de norm voor een gezin toegekend, onder verlaging van de norm met 10% van het netto minimumloon omdat eisers gebruik maken van de nachtopvang en daardoor hun kosten van bestaan konden delen. Verweerder heeft art. 4 van de Bijstandsverordening aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dat artikel ziet blijkens de toelichting op de omstandigheid dat betrokkenen een woning hebben, waarbij zij die woning met anderen delen. Dat levert financiële voordelen op, omdat de gezamenlijke woonlasten dan lager zijn. Volgens verweerder moet het opvanghuis worden gezien als een woning, waarbij de bewoners kosten delen. De rechtbank deelt dat standpunt niet. Er is slechts sprake van een (deel van een) woning indien de bewoner aldaar zijn woonstede heeft. Dat wil zeggen dat de bewoner, binnen de grenzen van het recht, vrijelijk kan beschikken over de woonruimte. Hij moet kunnen komen en gaan naar believen, bezoek kunnen uitnodigen, de woonruimte kunnen verfraaien qua inrichting, kortom een eigen woonsfeer kunnen scheppen en eigen woonregels kunnen stellen. Van dat alles is in het opvanghuis geen sprake. Eisers gebruikten de voorziening slechts voor de nacht, waarbij zij gescheiden moesten slapen, eiser op de mannenzaal en eiseres op de vrouwenzaal. Zij kregen voorts een ontbijt en de gelegenheid zich te douchen. Eisers moesten zich houden aan de huisregels. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het opvanghuis kan worden gezien als de woonstede van eisers waar zij met zekere autonomie konden verblijven. Bovendien kon van een min of meer bestendig verblijf ook geen sprake zijn. De rechtbank leidt uit de aangehaalde artikelen en de toelichting in hun onderlinge samenhang af dat de Bijstandsverordening niet voorziet in de mogelijkheid van een verlaging van de bijstandsnorm in die gevallen waarin betrokkenen geen woning hebben. Dat eisers geen vaste lasten zoals huur en kosten van nutsvoorzieningen hadden, maakt dat niet anders. Die omstandigheid kwam niet voort uit het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van die kosten door woonruimte te delen, maar juist uit de tegenovergestelde situatie, te weten het ontbreken van woonruimte. College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder. mr. J.P.M. Hopmans Abw 34, 35, 38.1 Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend van de gemeente Vlissingen 4, 5

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen