Rb. Maastricht 8 februari 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BV3122

Schorsing concurrentiebeding; relatiebeding en social-media. Dansleraar neemt na vijfjarig dienstverband bij dansschool ontslag en opent eigen dansstudio. De eigenaar van de dansschool vordert nakoming van het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding: de dansleraar te verbieden les te geven in de gemeente waarbinnen het concurrentiebeding geldt en de dansleraar te verbieden contacten te onderhouden met (voormalige) leden en leerlingen van de dansschool. De dansleraar vordert het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk te niet te doen subsidiair de werking van het concurrentiebeding te schorsen tot dat in een door hem aanhangig te maken bodemprocedure zal zijn beslist. De vordering van de eigenaar van de dansschool om de dansleraar te verbieden les te geven in de gemeente waarbinnen het concurrentiebeding geldt, wordt afgewezen. De door de dansleraar gevorderde schorsing van de werking van het concurrentiebeding tot dat in de bodemprocedure zal zijn beslist, wijst de kantonrechter toe. De kantonrechter overweegt daartoe dat niet vastgesteld kan worden binnen welke gemeente de dansstudio is gelegen. Er is dus sprake van een onduidelijke situatie waardoor niet zeker is of de dansleraar het concurrentiebeding overtreedt. Voorts overweegt de kantonrechter dat de eigenaar van de dansschool lessen in veel meer dansstijlen aanbiedt dan de dansleraar en naar het oordeel van de kantonrechter niet gezegd kan worden dat de dansleraar door de exploitatie van zijn concurrerende dansstudio een ongerechtvaardigd voordeel verkrijgt ten laste van het bedrijfsdebiet van de eigenaar van de dansschool. Met betrekking tot het relatiebeding oordeelt de kantonrechter dat dit beding te breed is geformuleerd. Het beding zou mede inhouden dat de dansleraar geen contact zou mogen hebben met eventuele leden/leerlingen die ooit contact hebben gehad met de eigenaar van de dansschool en naar het oordeel van de kantonrechter verzet zich dit tegen een normale gezonde concurrentie. Voorts overweegt de kantonrechter dat er geen concrete aanknopingspungen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de dansleraar actief leden/leerlingen van de dansschool heeft benaderd om hen te bewegen over te stappen naar zijn dansstudio. De kantonrechter overweegt daarbij dat conversaties via “social media” zoals Hyves, Twitter, Facebook, WhatsApp etcetera in beginsel beschouwd moeten worden als geschiedende in privésfeer van de betrokkenen - en dus vallende onder het grondrecht van vrije meningsuiting - tenzij daaruit duidelijk en ondubbelzinnig voor eenieder een zakelijk karakter blijkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen