Rb. Maastricht 16 november 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BU5588
Gegrondverklaring ontkenning vaderschap [B]; verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [C]. Halfbroer [D] , zoon van [C] geen belanghebbende, voor zover het verzoek betreft de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B]. Aannemelijk is dat verzoeker pas na het overlijden van [C] ermee bekend is geworden dat [B] vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Pas na het overlijden van [C] bestond er aanleiding het vaderschap van [B] te ontkennen. Geen overschrijding van de termijn van artikel 1:200 lid 6 BW. Nu zowel [B] als [C] zijn overleden en ander bewijs ontbreekt , gelast de rechtbank nader bewijs, dat in dit geval alleen door middel van DNA-onderzoek kan worden geleverd. In dat verband is van wezenlijk belang dat ter zitting aan de orde is geweest dat mogelijk geschikt DNA-materiaal van [C] nog voorhanden is in de vorm van sigarenstompjes. De rechtbank maakt van haar bevoegdheid gebruik en gelast op voet van artikel 194 Rv een deskundigenbericht. Daarbij verdient aantekening dat indien het DNA-materiaal van [C] niet geschikt blijkt voor onderzoek, het DNA-onderzoek uitsluitend zal kunnen uitwijzen of er al dan niet bloedverwantschap bestaat tussen verzoeker en [D].
De uitspraak op rechtspraak.nl