Rb. Maastricht 20 oktober 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3368

Bij verzoekschrift d.d. 17 augustus 2011 hebben MGL en LGM I de rechtbank verzocht hen ingevolge artikel 104 lid 7 Pensioenwet toestemming te verlenen de met [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomsten op te zeggen. MGL en LGM I stellen zich op het standpunt dat ten gevolge van het ontslag van [verweerder] als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL op 15 augustus 2011, aldus voor het moment van indienen van het verzoekschrift, het vijfde lid van artikel 104 Pensioenwet, op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen met de werknemer die lid is van een bestuur van een pensioenfonds, niet van toepassing is, doch zich hier de situatie van het zesde lid van artikel 104 Pensioenwet voordoet, ingevolge welke de werkgever de voorafgaande toestemming van de rechtbank nodig heeft alvorens de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met, ondermeer, een werknemer die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een bestuur van een pensioenfonds. [Verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit van de raad van commissarissen van LMG I niet rechtsgeldig is en daarom het opzegverbod van artikel 104 lid 5 Pensioenwet van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat [verweerder] niet rechtsgeldig is ontslagen als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL en dat de situatie zoals is bedoeld in artikel 104 lid 6 Pensioenwet aan de orde is. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken van het bestaan van een verband tussen de opzegging waartoe toestemming wordt gevraagd en de in artikel 104 lid 1 Pensioenwet bedoelde omstandigheden. Het verzoek wordt toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen