Rb. Maastricht 16 september 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BT6571

Verzoekster heeft verweerder verzocht om meer vrachtbewegingen toe te staan per dag (te weten 80 vrachtbewegingen) van en naar de inrichting (groeve Cijnsberg) dan in de milieuvergunning van 8 juni 1999 (thans gelijkgesteld met een Wabo-omgevingsvergunning) is opgenomen. Verweerder gaat op grond van de bestaande milieuvergunning uit van een maximaal toegestaan aantal vrachtbewegingen van 26 per dag en is verder niet voornemens om de op basis van deze milieuvergunning toegestane vrachtbewegingen te verruimen. Nu verzoekster had aangegeven dat het aantal vrachtbewegingen van en naar de groeve zouden worden uitgebreid naar 80, heeft verweerder een (preventieve) last onder dwangsom opgelegd aan verzoekster. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op basis van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor, in samenhang gelezen met Bijlage I (onderdeel C, categorie 11.1, onder i en categorie 28.10 onder 26 van het Bor - het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is van het Bor -) het aanvullen van de groeve aan te merken als een inrichting, maar is daarvoor geen omgevingsvergunning vereist. Voor het aanvullen van de groeve kan in beginsel volstaan worden met een melding, zoals bedoeld in artikel 8.41 van de Wm en artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat het dan om een type B-inrichting. Vast staat evenwel dat de onderhavige Wabo-omgevingsvergunning niet slechts ziet op het aanvullen van grond maar nog tevens betrekking heeft op het winnen van zand en grind in de groeve. Die activiteit is volgens de voorzieningenrechter nog steeds vergunningplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e en artikel 2.1, tweede lid, van de Wabo in combinatie met Bijlage I (onderdeel C categorie 11.4 onder m) van het Bor. De onderhavige Wm-vergunning geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog steeds. Nu de Wabo-omgevingsvergunning nog steeds geldt en er sprake is van een zogenaamde categorie C inrichting in de zin van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit kan de inrichting niet tevens aangemerkt worden als een categorie B inrichting in de zin van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de systematiek van de Wm de vergunningplicht derogeerde aan de voorschriften van een algemene regel of anders gezegd een inrichting in dat geval niet alleen onder de algemene voorschriften viel, maar de vergunning was te zien als een aanvulling op de algemene regels als bedoeld in artikel 8.40 van de Wm. Ondanks dat de onderhavige inrichting niet tegelijkertijd een categorie C en B inrichting kan zijn, betekent dat niet dat de regels van het Activiteitenbesluit niet naast de Wabo-omgevingsvergunning kunnen gelden. Dit volgt immers uit artikel 1.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit, waarin een aantal aspecten is genoemd die vallen onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Nu transportbewegingen daar niet zijn genoemd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze nog steeds onder de werking van de Wabo-omgevingsvergunning vallen en een verandering daarvan niet valt onder de meldingsplicht van artikel 8.41 van de Wm juncto artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Een verandering van de vergunning is dan aangewezen. Verweerder was bevoegd tot handhaving van de in de Wabo-omgevingsvergunning opgenomen transportbewegingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen