Rb. Maastricht 25 mei 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ8260
De rechtbank stelt voorop dat de SAOZ te beschouwen is als een onafhankelijke deskundige op het gebied van onroerend goed en dat verweerder in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies mag afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Een taxatierapport is volgens de rechtbank geen deskundigenadvies waarmee het advies van de SAOZ kan worden weerlegd. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de totstandkoming van het advies onzorgvuldig is geschied of dat er anderszins reden is te oordelen dat verweerder dat advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. In beroep is in dit verband onder meer aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet op het advies van de SAOZ heeft mogen baseren, omdat daarin door uit te gaan van de planschaderegeling in artikel 49 van de WRO en de jurisprudentie die onder de werking van die bepaling tot stand is gekomen, een onjuist uitgangspunt is gehanteerd bij de vaststelling of sprake is van schade op grond van artikel 30 van de Rwc. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 juli 2009 (LJN BJ3082) waarin de rechtbank, onder verwijzing naar de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van artikel 30 van de Rwc (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 356, nr. 5), waarbij aangesloten is bij artikel 49 van de WRO, en de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 (LJN AT0571), heeft geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 30 van de Rwc terecht is behandeld als een verzoek om planschade, alsmede naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 (LJN BL9617) op het tegen de uitspraak van 22 juli 2009 ingestelde hoger beroep waarin de uitspraak van de rechtbank is bevestigd, verwerpt de rechtbank dat betoog.
De uitspraak op rechtspraak.nl