Rb. Maastricht 8 december 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8130

Het ‘gentlemen agreement’; een planschadevergoedingsovereenkomst met een beding dat in, ruil voor de medewerking van de gemeente aan een wijziging van een bestemmingsplan, de aansprakelijkheid voor planschade van de gemeente wordt overgenomen; arrest van 2 mei 2003, AB 2003, 354; beding niet geldig en de bezwaren tegen het aanvaarden van de geldigheid van dergelijke bedingen van dien aard dat zij zich ook verzetten tegen het maken van een uitzondering voor gevallen waarin, zoals in dit geval, een wijziging in overwegende mate een particulier belang dient en het op zichzelf redelijk zou kunnen zijn dat de planschadevergoeding uiteindelijk - geheel of ten dele - voor rekening van die particulier komt. Het oordeel van de Hoge Raad was mede ingegeven door het ontbreken van een wettelijke (verhaals)regeling. Door de gemeente is er terecht op gewezen dat de Hoge Raad in genoemd arrest in het midden heeft gelaten of (een zodanig beding in) de desbetreffende overeenkomst (partieel) nietig dan wel vernietigbaar is, maar de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 januari 2006, AB 2006, 218, wel duidelijkheid geboden en bepaald dat bedoelde bedingen in strijd zijn met de openbare orde en derhalve nietig op grond van art. 3:40 lid 1 BW. Het gevolg van die nietigheid is óók dat als het “gentlemen agreement”, zoals de gemeente stelt, (tevens) een vaststellingsovereenkomst zou zijn, die vaststelling op grond van art. 7:902 BW ook nietig is omdat die naar inhoud of strekking in strijd met de openbare orde komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen