Rb. Maastricht 1 december 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO6444

Verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot voorlopige voogdij over minderjarig kind primair op grond van artikel 10 jo 2 WOBKA , subsidiair 1: 241 lid 2 BW door rechtbank afgewezen. Betreft Marokkaans 2-jarig kind dat in Marokko door biologische moeder is verlaten direct na geboorte. Vervolgens heeft voogdijrechter aldaar middels akte de kafala voogdij toegewezen aan Marokkaans echtpaar dat in Nederland woont. Aanvrage machtiging voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘adoptie’ werd afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure is echtpaar met kind Nederland ingereisd. Er is geen beginseltoestemming in de zin van de WOBKA. De raad verzoekt voorlopige voogdij omdat de kafala weliswaar een voogdijbeslissing is in Marokko maar deze wordt niet van rechtswege in Nederland erkend zolang Nederland het Kinderbeschermingsverdrag 1996 niet heeft geratificeerd. Er is dus een gezagsvacuüm. De raad erkent dat het kind goed wordt verzorgd door het echtpaar en het is niet de bedoeling het kind bij het echtpaar weg te halen. De rechtbank wijst zowel het primaire als het subsidiaire verzoek af. Volgens de rechtbank ziet artikel 10 WOBKA niet op situaties waarin het niet nodig is het kind over te plaatsen naar ander gezin en er is evenmin voldaan aan het criterium van noodsituatie van artikel 1: 241 lid 2 BW. De rechtbank overweegt dat zij ambtshalve zou kunnen voorzien in de tijdelijke voogdij op grond van artikel 1:296 BW maar doet dit niet omdat er inmiddels een verzoek tot erkenning van de kafala-beslissing namens het echtpaar is ingediend, de rechtbank dit verzoek op korte termijn zal behandelen en onnodige gezagswisselingen niet in het belang van het kind acht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen