Rb. Maastricht 21 april 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO2926

Loonsanctie Ziektewet (art. 39a, eerste lid). Bestuurlijke lus. Onvoldoende onderzoek. Einduitspraak. 'De rechtbank is van oordeel dat eiseres op grond van de thans beschikbare stukken pas vanaf 8 december 2008, te weten vanaf het spreekuurcontact van de werkneemster met de bedrijfsarts, verweten kan worden dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen verrichtte. De rechtbank overweegt daarbij dat, gelet op de probleemanalyse van 18 augustus 2008, volgens de bedrijfsarts eerst mediation aan de orde was, alvorens aangepast werk (eerst in een geleidelijke opbouw) mogelijk was. Een verdere uitbreiding hing af van nog te ondergane behandeling. Uit het telefonische onderhoud met eiseres op 10 mei 2010 is duidelijk geworden dat in november/december 2008 is komen vast te staan dat de mediation was mislukt. Verder blijkt uit dit telefonische onderhoud, uit het verslag van het gesprek van 12 december 2008 en uit de e-mail wisseling tussen de werkneemster en eiseres in de periode oktober/november 2008, dat het herstel van de werkneemster tussen augustus 2008 en 8 december 2008 stagneerde. Vanaf het spreekuurcontact met de bedrijfsarts op 8 december 2008 staat echter vast dat de werkneemster partieel werk in aangepaste vorm kon verrichten. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat voor eiseres sprake is van een deugdelijke grond omdat vanaf 8 december 2008 het dienstverband nog maar drie weken zou duren en omdat uit de e-mail-berichten van de werkneemster van 26 november 2008 en 30 december 2008 afgeleid kon worden dat het met de werkneemster nog steeds niet goed ging. Uit een en ander kan geconcludeerd worden dat het redelijkerwijs voor eiseres (toen) ondoenlijk was om nog maatregelen te treffen. Eiseres kon in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat er geen mogelijkheden meer waren tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf.'

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen