Rb. Maastricht 20 januari 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BL3107

Kernpunt van het onderhavige geschil is of BJZ jegens de minderjarige onrechtmatig heeft gehandeld door hem te plaatsen in een justitiële jeugdinrichting in plaats van een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Op grond van de leden 4 en 6 van artikel VII van de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg en Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (in werking getreden op 1 januari 2008) kunnen jeugdigen ten aanzien van wie een machtiging is verleend tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29k van de Wet op de jeugdzorg, worden geplaatst in een justitiële jeugdinrichting. Een en ander hangt samen met de omstandigheid dat tot 1 januari 2010 geleidelijk aan het aantal benodigde plaatsen dient te worden uitgebreid. Tot die datum mag (en zal) nog gebruik worden gemaakt van de vóór 1 januari 2008 daartoe beschikbare plaatsen in justitiële jeugdinrichtingen. Derhalve is er geen sprake van handelen in strijd met een in Nederland geldende wettelijke plicht. Vervolgens heeft de moeder gesteld dat de “detentie” van de minderjarige onrechtmatig was wegens strijdigheid met artikel 3 lid 1 en artikel 37 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 16 van het VN-Folterverdrag. Meer in het bijzonder heeft zij zich erop beroepen dat het belang van de minderjarige niet op de eerste plaats is gesteld. Zij meent dat het enige probleem bij de minderjarige was, dat hij niet naar school ging. Derhalve had hij een plaatsing thuis kunnen afwachten. De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen de moeder stelt, niet wordt ondersteund door de door haar overgelegde producties. Uit het verzoekschrift voor de machtiging gesloten jeugdzorg (productie a bij exploot van dagvaarding) ontstaat het beeld van de minderjarige dat wel degelijk sprake is van een jeugdige met opgroei- en opvoedingsproblemen.... Hiertegenover staat dat onvoldoende gemotiveerd gesteld is, dat de omstandigheden waarin de minderjarige heeft verkeerd gedurende de periode dat hij bij “Albatros” verbleef, zouden kunnen bijdragen aan het oordeel van onrechtmatigheid. De moeder is van mening dat “het plaatsen in een gevangenis” heeft geleid tot hevig geestelijk leed van de minderjarige en dat er sprake was van een onmenselijke of onterende behandeling, maar zij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de belangen van de minderjarige niet voorop hebben gestaan bij de beslissing om hem zo snel mogelijk te plaatsen en evenmin kan het beroep op artikel 16 van het VN-Folterverdrag slagen. In elk geval heeft de moeder te dezen niet voldaan aan haar gemotiveerde stelplicht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen