Rb. Maastricht 20 januari 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BL2100
De rechtbank wijst af het inleidende verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het BW kan de rechtbank, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen, het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Bij de beoordeling van het inleidende verzoek van verzoeker moet tot uitgangspunt worden genomen dat niet de belangen van verzoeker – noch die van de moeder – maar de belangen van de minderjarige (ook) op de voet van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 170), een eerste overweging vormen bij het treffen van de door verzoeker gevraagde voorziening. Gelet op het daarover in artikel 1:247 BW bepaalde meent de rechtbank niet alleen dat het gezag een aan verzoeker toekomend recht is, maar ook dat dit recht aan verzoeker is gegeven in het belang van het kind. Daarom rust op verzoeker, ook en misschien wel met name na de beëindiging van de relatie met de moeder, de zwaarwegende verplichting dat belang te (blijven) dienen. Verzoeker heeft in dat licht bezien onvoldoende naar voren gebracht waaruit de rechtbank zou kunnen opmaken dat de gezamenlijke uitoefening van het gezag over de minderjarige conflicten oplevert of anderszins zo problematisch is dat hij zich van die verplichting bevrijd zou mogen weten. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt het er veeleer op dat de belangen van de minderjarige juist het meest ermee zijn gediend dat het gezamenlijk gezag overeind blijft.
De uitspraak op rechtspraak.nl