Rb. Maastricht 15 december 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BK8066

Vaststaat dat verzoekers ten tijde van de adoptie niet in het bezit waren van een geldige beginseltoestemming en niet beschikten over een Certificate of Conformity. Ondanks het feit dat Nederland en Turkije partij zijn bij het Haags Adoptieverdrag is er derhalve geen sprake van een Verdragsadoptie. De vraag dient zich dan aan welke consequenties dit voor de onderhavige zaak moet hebben. Uit de toelichting op het Haags Adoptieverdrag is af te leiden dat, ingeval niet aan alle vereisten van het Verdrag is voldaan, aan de rechter wordt overgelaten of hij een adoptie niettemin voor erkenning in aanmerking wil laten komen, waarbij uiteindelijk het belang van het kind bepalend is. Naar het oordeel van de rechtbank zou het oneigenlijk zijn verzoekers thans tegen te werpen dat de adoptiebeslissing in Turkije niet erkend wordt door de rechtbank, terwijl reeds sinds 2005 verzoekers de zorg van [de minderjarige] op zich hebben genomen en met medeweten van de Nederlandse autoriteiten het verblijf van [de minderjarige] in Nederland met het doel adoptie hebben geregeld. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de goede trouw van verzoekers. De rechtbank zal de verzochte verklaring voor recht dan ook toewijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen