Rb. Maastricht 4 november 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BK6390
De kosten voor rechtsbijstand worden tweemaal getoetst aan de redelijkheid. Voor één toets wordt (mede) gebruik gemaakt van het liquidatietarief in onteigeningszaken. De andere toets vindt plaats aan de hand van de door de gemeente in het kader van de onteigening te betalen schadevergoeding. Vervolgens blijkt dat de kosten voor rechtsbijstand zo hoog zijn dat in redelijkheid de verweerder niet heeft kunnen besluiten tot deze uitgaven terwijl voorts blijkt dat er een volledige disproportie is tussen deze kosten voor rechtsbijstand en het in de procedure betrokken belang. De door de partijen opgegeven bedragen voor rechtsbijstand kunnen dus niet dienen om de vergoeding vast te stellen. De rechtbank heeft dan vervolgens de wel redelijke kosten moeten schatten en heeft voor de daartoe gebruikte begroting (wederom) gebruik gemaakt van het liquidatietarief in onteigeningszaken. Nadat de rechtbank op die basis de begroting heeft gemaakt is naar billijkheid een schatting gemaakt van de kosten voor rechtsbijstand, vorzover tot het laten ontstaan van deze kosten door de verweerders in redelijkheid kon worden besloten.
De uitspraak op rechtspraak.nl