Rb. Maastricht 7 augustus 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ4878

Beroep tegen (onbevoegd genomen) monumentenvergunning. Verweerder heeft na verloop van de termijn van artikel 16, vierde lid van de Monumentenwet op een aanvraag om een monumentenvergunning beslist. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet wordt de vergunning geacht te zijn verleend, indien burgemeester en wethouders niet voldoen het het vierde lid, de vergunning was derhalve van rechtswege verleend. Na de verlening van de monumentenvergunning van rechtswege bezat verweerder niet de bevoegdheid om nadien alsnog op de aanvraag te beslissen. Dit betekent dat het besluit op de aanvraag onbevoegdelijk genomen is. Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Monumentenwet is op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De van rechtswege verleende vergunning is niet voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. Het feit dat een ontwerp van het besluit van verweerder op de aanvraag, ter inzage heeft gelegen en eenieder zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen met betrekking tot dat ontwerp, doet daar niets aan af. Nu de van rechtswege verleende vergunning niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 dient, op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, alvorens beroep te worden ingesteld, eerst bezwaar te worden gemaakt. Gelet hierop moet het beroep worden aangemerkt als bezwaar, waarop verweerder dient te beslissen. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift aan verweerder doorzenden en verklaart zich onbevoegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen