Rb. Maastricht 4 december 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BG6514
Uit het door bureau jeugdzorg overgelegde indicatiebesluit en het evaluatieverslag komt een ander beeld naar voren dan uit het door bureau jeugdzorg overgelegde werkplan. De kinderrechter stelt voorop dat uit artikel 1: 261 lid 2 BW volgt dat het verzoek tot uithuisplaatsing van strekt tot effectuering van het indicatiebesluit waarbij voor hem de aanspraak op deze vorm van jeugdzorg is gevestigd. In verband hiermee wordt in dezelfde bepaling voorts bepaald dat het indicatiebesluit bij het verzoekschrift dient te worden overgelegd. Naar het oordeel van de kinderrechter wijst de wettelijke regeling er zelf al op dat de toewijzing van het verzoek om uithuisplaatsing zich in beginsel niet kan uitstrekken tot een periode gelegen na het vervallen van de geldigheid van het indicatiebesluit. Het antwoord op de vraag of deze tekortkoming door bureau jeugdzorg nog kan worden opgevangen door vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het indicatiebesluit een nieuw besluit te nemen dat aanspraak op de beoogde jeugdzorg voor de resterende termijn van de beoogde uithuisplaatsing vestigt, zal de kinderrechter thans nog in het midden laten. Naar het oordeel van de kinderrechter is in de door de moeder aangevoerde bijkomende omstandigheden – de bij haar gewekte onzekerheid met betrekking tot de mogelijkheid van een terugplaatsing van de minderjarige voordat hij de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt – al voldoende aanleiding gelegen om de periode waarvoor de gevraagde machtiging wordt verleend te beperken tot de geldigheidsduur van het indicatiebesluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl