Rb. Maastricht 8 september 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BF1569

De aanvraag van betrokkene om een eenmalige uitkering op basis van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening van 8 december 2006, Stcrt. 2006, 243, is door de Sociale verzekeringsbank geweigerd op de grond dat het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het kalenderjaar 2005 hoger is dan € 12.822,-. Dat laatste is een gevolg van de toevallige keuze van het pensioenfonds de door betrokkene tot aan het bereiken van haar vijfenzestigste levensjaar opgebouwde (bescheiden) pensioenaanspraken als eenmalige afkoopsom in een keer uit te betalen. De rechtbank komt het oordeel dat onder die omstandigheden het niet honoreren van de aanvraag van betrokkene zozeer indruist tegen hetgeen met de invoering van de regeling is beoogd, dat daarin in dit bijzondere geval grond moet worden gevonden strikte toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de regeling achterwege te laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen