Rb. Maastricht 8 september 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BF0257
De aanvraag van betrokkene om een eenmalige uitkering op basis van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening van 8 december 2006, Stcrt. 2006, is door de Sociale verzekeringsbank geweigerd op de grond dat zij door een beroep te doen op het bepaalde in artikel 12, tweede en derde lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding aanspraak had kunnen maken op een deel van het pensioen van haar toenmalige echtgenoot. Een van de vereisten is dan wel dat het huwelijk ten minste 18 jaren moet hebben geduurd. De rechtbank komt tot het oordeel dat voor beoordeling van de vraag of het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd, ingeval van scheiding van tafel en bed, als datum waarop het huwelijk is geeindigd dient te worden uitgegaan van de datum waarop het vonnis tot scheiding van tafel en bed en dus niet het vonnis tot ontbinding, na scheiding van tafel en bed, in kracht van gewijsde is gegaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl