Rb. Maastricht 22 augustus 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2239
Partijen hebben huwelijksvoorwaarden gesloten. Zij hebben elke gemeenschap van goederen uitgesloten, maar zijn wel een verrekenbeding overeengekomen. Dat in artikel 3 overeengekomen beding luidt: "zolang de gemeenschappelijke huishouding bestaat, voegen de echtgenoten binnen zes maanden na het einde van elk kalenderjaar ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomsten over dat jaar overteerd is en hetgeen uit hun inkomsten over dat jaar door belegging is verkregen". Ten aanzien van de door de man vóór het huwelijk van partijen in eigendom verkregen woning, die ook de echtelijke woning is geworden, verschillen partijen van mening hoe de waarde(vermeerdering) van deze woning en de waarde van een op het perceel bij de woning tijdens het huwelijk van partijen gebouwde loods tussen hen verrekend moet worden. De binnen dit kader opgeworpen vraag of aflossingen staande huwelijk, voldaan uit niet verrekende overgespaarde inkomsten, op leningen aangegaan ter financiering van (verbetering van) een goed dat goederenrechtelijk door een van partijen is verkregen vóór het huwelijk, dienen te leiden tot enkel verrekening van de nominale waarde van die overgespaarde inkomsten waarmee aflossingen zijn voldaan, (zoals de man voorstaat) of dat ook de vermogensvermeerdering die inmiddels uit de belegging is ontstaan (evenredig) verrekend dient te worden, (zoals de vrouw wenst) beantwoordt de rechtbank - met enkele aanpassingen - op de wijze die de vrouw heeft bepleit.
De uitspraak op rechtspraak.nl