Rb. Maastricht 24 februari 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV2720

Subsidieverzoek op grond van de Subsidieregeling ESF-3 afgewezen omdat het subsidieplafond is bereikt. Tussen partijen is in geschil wanneer het besluit van 27 oktober 2005 tot vaststelling van het subsidieplafond op € 0,00 is bekendgemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de publicatie van het bestreden besluit in de Staatscourant op 1 november 2005 in ieder geval zou zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 3:42, eerste lid, van de Awb. Het geschil spitst zich echter toe op de vraag of verweerder reeds eerder aan het bepaalde in artikel 3:42, eerste lid, van de Awb heeft voldaan door middel van het uitbrengen van persberichten en/of het aanschrijven van (potentiële) aanvragers, het informeren van de Tweede Kamer en publicatie op de website. Een en ander heeft tot gevolg dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet alleen afhangt van de beantwoording van de vraag of de door verweerder aangegeven wijze van bekendmaking van de instelling van het subsidieplafond in algemene zin beantwoordt aan de daaraan in artikel 3:42, eerste lid, van de Awb gestelde eisen, maar, mocht deze vraag al bevestigend kunnen worden beantwoord, tevens van de vraag of in casu van andere tekortkomingen in de wijze van bekendmaking van het bestreden besluit is gebleken. Nu de eerste vraag een principieel karakter draagt en de beantwoording van de tweede nader onderzoek vergt, een en ander in combinatie met de constatering dat toewijzing van de gevraagde voorziening, ook naar de mening van partijen, in praktische zin zou neerkomen op een onomkeerbare inwilliging van de aanvraag van verzoeker, acht de voorzieningenrechter het niet aangewezen de gevraagde voorziening te treffen. Hiertoe zou alleen aanleiding kunnen bestaan, indien, zoals van de zijde van verzoeker is betoogd, evident zou zijn dat de (eerste) bekendmaking van het bestreden besluit in strijd met artikel 3:42, eerste lid, van de Awb is geschied. Dat van een dergelijke evidentie geen sprake is blijkt alleen al uit het feit dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 20 januari 2006 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer LJN: AV0183) en de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht bij uitspraak van 1 februari 2006 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer LJN: AV1123) voornoemde principiële vraag in tegenovergestelde zin hebben beantwoord.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen