Rb. Maastricht 6 april 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:AT3587
A. Beroep op pensioenverweer ex art. 1:153 BW afgewezen, komt alleen aan verweerder toe, niet aan aanlegger. B. Eerste huwelijksdomicilie: peildatum gemeenschappelijke gewone verblijfplaats. Op grond van de door de Hoge Raad gebezigde overwegingen in HR 16.9.1994, NJ 1995, 169 kan er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gegaan worden dat de Hoge Raad een zekere rek in de peildatum heeft aanvaard. Over de maximale duur van de peilperiode zijn in dit arrest evenwel geen aanknopingspunten te vinden. Uit de literatuur die na dit arrest met betrekking tot dit thema is verschenen (onder meer Trema 1995, no. 5) is te destilleren dat een termijn van zes maanden een bruikbare normering is. De rechtbank sluit zich hierbij aan nu te dien aanzien op grond van zojuist genoemde literatuur kan worden aangenomen dat deze termijn niet of nauwelijks rechtsonzekerheid in de hand werkt aangaande het begrip eerste huwelijksdomicilie.
De uitspraak op rechtspraak.nl