Rb. Maastricht 12 januari 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:AT3031
Gelijk in laatstgenoemd arrest is overwogen, in eerdere jurisprudentie reeds gesanctioneerd (HR NJ 1997/366), is bij een op artikel 6:106 BW gebaseerde vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon voor het aannemen van aansprakelijkheid vereist dat sprake is van ernstige inbreuken op de persoonlijkheidsrechten. Aldus lag het op de weg van [eiser] feiten of omstandigheden aan te voeren, waaruit volgt dat hij zodanig onder het omstreden optreden van Kompas heeft geleden dat sprake was van een wezenlijke verergering van zijn psychisch lijden en een deze verergering daarmee verband houdt. Daartoe is [eiser] evenwel niet overgegaan, waarbij aangetekend wordt dat de verklaring van de psychiater noch op een dergelijke verergering noch op een causaal verband met het eventuele optreden van Kompas wijst. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van Kompas bestaat daarom ook wat dit onderdeel betreft geen grond.
De uitspraak op rechtspraak.nl