Rb. Maastricht 15 februari 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AE2516
Ontzegging verder verblijf raadslid in de vergadering van de gemeenteraad. Tijdens de raadsvergadering van 24februari1999 heeft verweerder besloten op grond van art. 26.3 Gemeentewet eiser (gemeenteraadslid) het verdere verblijf in de raadsvergadering te ontzeggen. Met de president is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Voorzitter van de ARRS (4 juli 1989, AB 1990, 339 Gemeente Beek), van oordeel dat de toegang van een raadslid tot de vergadering van de Raad waarin hij zitting heeft, in een democratische rechtsorde beschouwd dient te worden als een fundamenteel recht, waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat een uitsluiting voor de verdere vergadering pas gebruikt mag worden wanneer de middelen tot handhaving van de orde ontoereikend zijn. Uit de stukken, waaronder een video-opname van de desbetreffende raadsvergadering, alsmede de inmiddels vastgestelde notulen en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken van een genoegzame grond voor het oordeel van verweerder dat eiser door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken in deze vergadering heeft belemmerd. Verweerder heeft bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit kunnen komen. De notulen van de raadsvergadering van 24 februari 1999 zijn geen beslissing op eisers verzoek om het besluit van die datum op schrift te stellen. Verweerder heeft - nu een redelijke termijn om te beslissen is verstreken - niet (tijdig) op het verzoek van eiser beslist en had derhalve het bezwaar voor wat betreft dit onderdeel voor gegrond moeten verklaren. Beroep deels gegrond. De raad van de gemeente Brunssum, verweerder. mr. J.N.F. Sleddens
De uitspraak op rechtspraak.nl