Rb. Maastricht 19 maart 2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2027
In casu geen sprake van onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in art. 22.3 KB 746. Eiser wenst met ingang van 1 januari 1998 vrijgesteld te worden van de verzekeringsplicht om te voorkomen dat hij vanaf die datum met dubbele premieheffing en dubbele verzekeringsplicht (in Duitsland en Nederland) wordt geconfronteerd. Verweerder heeft eiser met ingang van 5 oktober 1999 vrijstelling verleend aangezien eiser eerst op deze datum een verzoek om vrijstelling heeft ingediend. Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat terecht en op goede gronden aan eiser vrijstelling is verleend van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met ingang van 5 oktober 1999, zijnde de datum van het verzoek daartoe, en dat eiser niet heeft aangetoond dat voormelde wettelijke bepaling, waarop hij een beroep heeft gedaan, ook in zijn geval van toepassing is. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar de Kamerstukken (TK 1995-1996, 24 754, nr. 2, blz. 13, 34 en nr. 4, blz. 7), dat eiser zich reeds in 1997, toen hij recht kreeg op een uitkering van de Landesversicherungsanstalt Westfalen, had moeten laten inlichten aangaande een eventuele verzekerings- en premieplicht. Dit heeft eiser echter nagelaten. Niet is gebleken dat eiser aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te verkrijgen over zijn verzekeringspositie, zoals in de Nota van Toelichting wordt voorgeschreven. Tot slot is geen sprake van de omstandigheid, als omschreven in verweerders beleidsregels, dat de late indiening van het verzoek om vrijstelling een aantoonbaar gevolg is van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan (bijvoorbeeld de Belastingdienst) en redelijkerwijs niet aan die voorlichting getwijfeld hoefde te worden. Eiser was eenvoudigweg niet op de hoogte van het feit dat hij vrijstelling kon aanvragen, zoals hij ter zitting nog eens heeft bevestigd. Vandaar dat hij dit pas in 1999 heeft gedaan. Naar de CRvB in vaste jurisprudentie heeft aangenomen, kan onbekendheid met wettelijke bepalingen over het algemeen niet leiden tot het oordeel, dat de betrokkene niet in verzuim is geweest met een te laat ingediende aanvraag. De omstandigheden die eiser in beroep verder nog heeft aangevoerd acht de rechtbank, voor zover zij al aan verweerder toegerekend zouden kunnen worden, niet van dien aard dat verweerder de vrijstelling met terugwerkende kracht had moeten verlenen. Het Bureau Duitse Zaken heeft eiser er overigens op gewezen dat in Nederland wonenden in de regel verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en dus ook onderworpen aan de premieheffing. Eiser had zich naar het oordeel van de rechtbank dienaangaande nader moeten laten voorlichten. De LVA Westfalen heeft geen enkele bemoeienis met de uitvoering van de Nederlandse volksverzekeringswetten. Deze is voorbehouden aan de Nederlandse uitvoeringsorganen. De uitvoering van de vrijstellingsregeling voor de AOW, Anw en de AKW is neergelegd bij de SVB. Op het uitvoeringsorgaan rust geen verplichting de betrokkene te informeren over de mogelijkheid van vrijstelling. De omstandigheid dat de LVA Westfalen eiser niet heeft gewezen op de mogelijkheid van vrijstelling kan er derhalve niet toe leiden dat de aan eiser verleende vrijstelling op een eerdere datum kan ingaan. Overigens is het feit dat de Belastingdienst eiser over het jaar 1997 als vrijgesteld heeft beschouwd van de verzekeringsplicht een gevolg van - achteraf onjuist gebleken - informatie van eiser. Ook dit argument treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel. Is iemand in een situatie geraakt dat sprake is van dubbele verzekering en dubbele premieafdracht ten gevolge waarvan het inkomen dubbel wordt belast zonder dat daar dubbele aanspraken tegenover staan en zou het gezien alle feiten en omstandigheden, met name de financiële situatie van betrokkene, van bijzondere hardheid getuigen als aan die situatie geen einde wordt gemaakt door het treffen van een afwijkende regel ter zake van de verzekering dan kan besloten worden tot uitsluiting van de verplichte verzekering. In het geval van eiser doet zich een dergelijke situatie niet voor. De in Nederland opgebouwde tijdvakken van verzekering ingevolge de AOW zullen te zijner tijd in het AOW-pensioen worden gehonoreerd. Voor zover eiser al door een dubbele verzekering en dubbele premieafdracht zou zijn getroffen, staan daar in ieder geval wel dubbele aanspraken tegenover. De rechtbank heeft begrip voor eisers standpunt, dat de financiële consequenties van verweerders besluit voor hem bijzonder pijnlijk zijn. Dienaangaande merkt de rechtbank op, dat het niet verweerder is die de betreffende aanslagen oplegt doch de Belastingdienst. Het ligt op de weg van eiser een en ander bij de Belastingdienst aan de orde te stellen en ter zake een regeling te treffen. Beroep ongegrond. Sociale Verzekeringsbank, verweerder. mr. M.C.A.E. van Binnebeke Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) 22.1, 22.2, 22.3 AKW 6 Anw 13 AOW 6
De uitspraak op rechtspraak.nl