Rb. Maastricht 22 maart 2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2025
Geen recht op ouderschapsverlof voor eiser ten behoeve van de zoon van zijn partner, aangezien er met de zoon geen familierechtelijke betrekking bestaat en de zoon evenmin op zijn adres staat ingeschreven. Afwijzing van verzoek om in aanmerking te komen voor ouderschapsverlof in de zin van art. 33g ARAR. Rechtbank: Naar opvatting van de rechtbank heeft verweerder allereerst terecht aangenomen dat tussen eiser en de zoon van zijn partner geen familierechtelijke betrekking bestaat zodat op dat punt niet is voldaan aan (eerstgenoemde) voorwaarde van art. 33g ARAR. Verder is ook in de visie van de rechtbank niet voldaan aan de (volgende) voorwaarde(n) reeds omdat vaststaat dat uit de gemeentelijke basisadministratie niet blijkt dat eiser en bedoeld kind op hetzelfde adres wonen. Dat eiser en zijn partner met deze bepaling, zoals ook ter zitting toegelicht, moeite hebben in verband met de feitelijke situatie is voorstelbaar maar de rechtbank ziet geen ruimte van deze duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare dwingende bepaling af te wijken, te meer nu deze bepaling spoort met de tekst van de Wet op het Ouderschapsverlof (Staatsblad 1990, 562) en dus met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om op dit punt te kiezen voor een formeel (en betrekkelijk eenvoudig te controleren) criterium. Nu al aan deze voorwaarden niet is voldaan komt de rechtbank verder niet meer toe aan een bespreking van verweerders beoordeling of eiser daarnaast, gegeven de feitelijke situatie, waaronder het bestaande co-ouderschap, wel of niet voldoet aan de hier ook van belang zijnde voorwaarde van, kort gezegd, de duurzame verzorging en opvoeding van het onderhavige kind. Beroep ongegrond. Staatssecretaris van Financiën, verweerder. mr. G.J. Haack
De uitspraak op rechtspraak.nl