Rb. Maastricht 9 februari 2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0227
Beroep op administratieve rechter tegen opleggen van administratieve boete is geen beroep zonder de waarborgen van art. 6 EVRM, nu het de onafhankelijke administratieve rechter is die de rechtmatigheid van de boete definitief beoordeelt. Oplegging boete ex art. 39 Anw, aangezien eiseres de verplichting a.b.i. art. 35 Anw niet (behoorlijk) is nagekomen, nu zij de wijziging in haar inkomen niet binnen vier weken aan verweerder heeft doorgegeven. Namens eiseres is betoogd dat art. 39 Anw en het boetebesluit Anw geen waarborg bieden voor proportionaliteit tussen de gedraging en de straf, gelet op de voorgeschreven boetesystematiek, zodat de rechter het bestreden besluit niet vol kan toetsen. Subsidiair is betoogd dat Boetebesluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat het de hoogte van het benadelingbedrag is dat de omvang van de boete bepaalt. De rechtbank is van oordeel dat het verdragsstaten bij het EVRM vrijstaat om door administratieve organen boetes te laten opleggen. Voorwaarde is wel dat tegen dergelijke boetes beroep open staat bij een rechterlijke instantie die de rechten van art. 6 EVRM waarborgt. Dit betekent dat de rechter dient te kunnen oordelen over alle aspecten van de voorgelegde zaak en met name moet kunnen toetsen of er evenredigheid bestaat tussen de ernst van de verweten gedraging en de zwaarte van de oplegde boete, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het beroep op de administratieve rechter tegen het opleggen van een administratieve boete als in casu een beroep zonder de waarborgen van art. 6 EVRM is, nu het de onafhankelijke administratieve rechter is die de rechtmatigheid van de boete definitief beoordeelt. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling dat het hier gaat om een zodanig rigide boetesysteem dat een dergelijke toetsing niet mogelijk zou zijn. Gelet op art. 39.2 Anw wordt de hoogte van de boete nl. afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de nabestaande de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd, als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn al deze elementen op zodanige wijze in het boetebesluit Anw verwerkt ter bepaling van de vraag of een boete moet worden opgelegd en zo ja, tegen welke hoogte, dat niet kan worden gezegd dat sprake is van disproportionaliteit of het ontbreken van evenredigheid tussen gedraging en opgelegde boete. Bovendien kan de administratieve rechter naar het oordeel van de rechtbank in bijzondere gevallen, wanneer de feiten en omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, afwijken van het bepaalde in het boetebesluit Anw. In casu geen disproportionaliteit en ontbreken van evenredigheid. Sociale verzekeringsbank, verweerder. mr. M.C.A.E. van Binnebeke
De uitspraak op rechtspraak.nl