Rb. Maastricht 15 september 2000, ECLI:NL:RBMAA:2000:AA8127
Door wijze van uitvoering art. 12a AWBZ wordt betrokkene de rechtsbescherming van de Awb onthouden. Verzoek om uitvoering te geven aan indicatie van de Stichting Regionale Indicatiestelling Oostelijk Zuid-Limburg (RIO) afgewezen. Het RIO heeft bij besluit van 23-03-2000 de indicatie gesteld: opname in een psycho-geriatrisch verpleeghuis met de urgentie "zeer urgent", inhoudende dat verzoekster binnen zes weken opgenomen dient te worden in een verpleeghuis. Als reactie op een namens verzoekster ingediend bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit heeft verweerder de gemachtigde o.m. laten weten dat verzoekster op een wachtlijst is geplaatst voor verpleeghuis X. President: De wijze waarop het thans bestreden besluit tot stand is gekomen is in strijd met het systeem van de Awb. Een betrokkene die een aanvraag wil indienen om zorg als bedoeld in de AWBZ, dient zich te wenden tot het RIO. Het RIO neemt een voor verweerder bindend indicatiebesluit. Met het indicatiebesluit dient de betrokkene zich te wenden tot het Zorgbureau, dat de wachtlijsten beheert voor de zorgaanbieders. Verweerder wordt, als uitvoerend bestuursorgaan, niet bij deze procedure betrokken en is derhalve noch op de hoogte van de aanvraag, noch van de plaatsing van de betrokkene op de wachtlijst. De President concludeert hieruit dat een besluit op de aanvraag als bedoeld in art. 12a AWBZ veelal achterwege zal blijven, waardoor de betrokkene de rechtsbescherming die de Awb biedt, wordt onthouden. Het thans bestreden besluit is eerst tot stand gekomen door de vasthoudendheid van de gemachtigde van verzoekster. Nu degene die een aanvraag wil indienen voor een zorgvoorziening o.g.v. de AWBZ zich tot het RIO dient te wenden en niet is gebleken van een mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag bij verweerder, dient naar het oordeel van de Pres. -mede gelet op het bepaalde in art. 4:1 Awb- de aanvraag van 19-01-2000 beschouwd te worden als een aanvraag in de zin van de AWBZ. Verweerder had daarop, bij gebreke van een termijn in de AWBZ -respectievelijk een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art. 12a AWBZ- binnen de in art. 4:13 Awb gestelde termijn dienen te besluiten. Dit is ontegenzeggelijk niet gebeurd. Verweerder heeft noch in het bestreden besluit noch ter zitting enig inzicht verschaft in het systeem en het beheer van de wachtlijsten. Verzoekster is door dit motiveringsgebrek evident benadeeld, aangezien zij en haar familie nog steeds in volstrekte onzekerheid verkeren t.a.v. de aanspraak op zorg. De President ziet dan ook aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen in die zin dat hij bepaalt dat verzoekster als eerstvolgende in aanmerking zal worden gebracht voor de effectuering van de geïndiceerde zorg, hetgeen betekent dat zij op de eerste plaats van de voor haar bestemde wachtlijst zal worden geplaatst. Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds, verweerder. mr. H.J.O. Martens (president)
De uitspraak op rechtspraak.nl