Rb. Maastricht 22 augustus 2000, ECLI:NL:RBMAA:2000:AA7323

Op basis van totaalbeeld van feitelijke omstandigheden dient ten aanzien van de overledene, gedetineerd in Frankrijk, tot ingezetenschap in Nederland te worden geconcludeerd. Verweerder heeft eiseres medegedeeld dat zij geen recht heeft op nabestaandenuitkering, aangezien haar huwelijkspartner (B) op datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de Anw, nu hij in Frankrijk gedetineerd was. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de economische en sociale binding van de overledene met Nederland op zichzelf beschouwd wellicht onvoldoende sterk was om tot ingezetenschap te leiden, op basis van het totaalbeeld van de feitelijke omstandigheden toch tot ingezetenschap moet worden geconcludeerd, zulks gelet op het navolgende. Volgens verweerders beleid wordt de betrokkene in gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief dan wel tijdelijk verblijf in het buitenland het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene beschouwd. Na dat jaar wordt het ingezetenschap als geëindigd beschouwd, tenzij de betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. I.c. heeft de overledene aangetoond, dat de feitelijke omstandigheden het handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen, aangezien hij niet iedere binding met zijn land van herkomst had opgegeven (RSV 1995/13). Integendeel, hij heeft diverse pogingen in het werk gesteld om zijn detentie in Nederland te mogen uitzitten. Ook namens hem werden - onder meer door het Ministerie van Justitie - diverse verzoeken ter zake aan de Franse autoriteiten gericht, dit alles echter zonder resultaat. De overledene heeft zich voorts nimmer laten afvoeren van het bevolkingsregister van zijn (laatste) woonplaats hier te lande, de gemeente Heerlen. Hij had nog bezittingen in Nederland evenals familie en kennissen. Er ontbreken aanwijzingen van een bij de overledene levende wil om niet terug te keren naar Nederland (RSV 1989/71 en RSV 1995/12). De rechtbank acht het zeer aannemelijk, dat de overledene zodra dit maar mogelijk zou zijn geweest onmiddellijk naar Nederland zou zijn teruggekeerd. Voorts kan niet gezegd worden, dat er een binding tussen de overledene en Frankrijk is ontstaan dan wel dat hij het middelpunt van zijn maatschappelijke leven in Frankrijk heeft gehad. De maatschappelijke contacten van de overledene bestonden uitsluitend uit de contacten met zijn medegedetineerden, die diverse nationaliteiten gehad zullen hebben. De overledene ging met name met zijn broer om, die eveneens was gedetineerd en met wie hij zijn cel deelde. De rechtbank neemt voorts nog in aanmerking het feit dat de band met Nederland sterker moet worden geacht naarmate de band met een ander land zwakker is. Gelet op de reden van het verblijf van de overledene in Frankrijk, namelijk zijn detentie, kan niet worden aangenomen, dat hij gedurende de loop van zijn verblijf aldaar ingezetene is geworden (RSV 1988/273). Blijkens de ter zake geldende beleidsregels van verweerder bestaat in zeer uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid om een uitzondering te maken op de regel, dat het ingezetenschap zonder meer als geëindigd wordt beschouwd, als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland. Naar het oordeel van de Rechtbank is met het voorgaande komen vast te staan, dat in het onderhavige geval van een dergelijke uitzondering sprake is. Gezien de feiten is de persoonlijke band van de overledene met Nederland en het aldaar woonplaats hebben bij voortduring van wezenlijke betekenis gebleven. Ten onrechte heeft verweerder dan ook beslist, dat de overledene, die in Nederland was geboren en de Nederlandse nationaliteit bezat, niet in Nederland woonde in de zin van art. 7 Anw. Hieraan doet niet af, dat de overledene in Frankrijk een langdurige gevangenisstraf onderging, daar het ondergaan van deze straf niet enige band met de Franse rechtsorde heeft gelegd (HR 26-11-1975, nr. 108). Naar het oordeel van de rechtbank leidt vorenstaande tot de conclusie, dat de overledene een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland is blijven houden. Beroep gegrond. Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam, verweerder. mr. R.E. Bakker Anw 6, 7.1, 13.1.a Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekering (KB 3 mei 1989, Stb. 1989, 164) 25

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen