Rb. Maastricht 9 augustus 2000, ECLI:NL:RBMAA:2000:AA7188

Wet op de Jeugdhulpverlening is voorliggende voorziening; echter onvoldoende aannemelijk in het onderhavige geval dat sprake was van kostenbesparing. Afwijzing aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van ouderbijdrage voor na-schoolse opvang in een semi-residentiële inrichting en voor taxikosten t.b.v. de ritten van zoon X van school naar het P-centrum en vandaar naar huis, een en ander voor de periode van 8-2-1999 tot 8-2-2000. Naar het oordeel van de rechtbank moet de Wet op de Jeugdhulpverlening worden beschouwd als een voorliggende voorziening. Art. 17 Abw staat echter niet in de weg aan de mogelijke vergoeding o.g.v. de Abw van de i.h.k.v. Wet op de Jeugdhulpverlening verschuldigde eigen bijdrage. De rechtbank stelt vast dat i.c. de door eiseres verschuldigde ouderbijdrage gerekend moet worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. De rechtbank concludeert vervolgens dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit concrete geval daadwerkelijk sprake was van kostenbesparing. Voorts is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de in geding zijnde kosten uit de normuitkering en de aanwezige draagkracht van eiseres konden worden voldaan. Verweerder heeft de afwijzing van de gevraagde bijstand gebaseerd op zijn beleid dat slechts tot toekennen van bijzondere bijstand wordt overgegaan, indien het inkomen gemiddeld minder bedraagt dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder of geen aanspraak bestaat op kinderbijslag voor het desbetreffende kind. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de individuele toets, die art. 39.1 Abw voorschrijft, miskend. College van burgemeester en wethouders van Heerlen, verweerder. mr. W.L.J. Voogt

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen