Rb. Maastricht 9 augustus 2000, ECLI:NL:RBMAA:2000:AA6872

Belang van werkgever niet rechtstreeks betrokken bij intrekkingsbesluit WAO. Intrekking WAO-uitkering van werknemer. Het daartegen door eiseres (werkgeefster) ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard. In casu is het belang van eiseres niet gelegen in het voorkomen van de voor haar rekening blijvende dan wel komende kosten als gevolg van arbeidsongeschiktheid van betrokkene (werknemer). Deze laatste is immers ingevolge het bestreden besluit niet langer als arbeidsongeschikt aan te merken. Het belang van eiseres is gelegen in het voorkomen dat betrokkene arbeidsgeschikt wordt verklaard en mitsdien weer in de volledige functieomvang in de instelling van eiseres moet worden tewerkgesteld. Dit gevolg vloeit echter niet voort uit de omstandigheid, dat betrokkene niet langer als arbeidsongeschikt wordt aangemerkt, maar uit de bestaande rechtsverhouding tussen eiseres en betrokkene. De omstandigheid, dat eiseres betrokkene niet langer te werk wenst te stellen omdat zij deze nog steeds arbeidsongeschikt acht om zijn functie uit te oefenen, is echter geen door de WAO beschermd belang. Het belang van eiseres moet dan ook niet worden gekwalificeerd als een rechtstreeks belang, maar als een afgeleid belang. Om dit belang te verwezenlijken dient eiseres zich, zo nodig, tot de burgerlijke rechter te wenden ten einde de arbeidsovereenkomst tussen haar en betrokkene te doen ontbinden. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mrs. R.E. Bakker, J.N.F. Sleddens, F.A.G.M. Vluggen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen