Rb. Maastricht 7 april 2000, ECLI:NL:RBMAA:2000:AA5575

Aanvraag gemeenschappelijke voorzieningen in gemeenschappelijke woonruimten door verhuurder van WoonZorgComplex. 1. Awb: Nieuw besluit hangende bezwaar waarbij alleen verbetering/aanvulling motivering naar aanleiding van bezwaarschrift is in strijd met art. 6:18, derde lid Awb. 2. Materieel: Collectieve aanvraag voor (woon)voorzieningen door een instelling is ingevolge art. 1.2. Verordening expliciet uitgesloten. 1. Uit de redactie van het nieuwe besluit blijkt dat geen sprake is van een wijziging in de rechtsbetrekking tussen bestuursorgaan en eiseres zoals die bij het bestreden besluit was vastgesteld. De herziening ziet naar het oordeel van de Rb. in casu op een aanvulling/verbetering van de motivering (mede) naar aanleiding van de kanttekeningen die eiseres in bezwaar tegen het besluit van 1 september 1998 heeft aangevoerd. Nu niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden die het nemen van een nieuw besluit van gelijke strekking rechtvaardigen, had het in een geval als het onderhavige in de rede gelegen het motiveringsgebrek bij beschikking op bezwaar te helen. Door het motiveringsgebrek met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb te herstellen wordt op onjuiste wijze van deze artikelen gebruik gemaakt. 2. Toekenning van fl. 19.627,50 t.b.v.de kosten van een thermostatische mengkraan in de douche en een verhoogd toilet in alle woningen van het project van eiseres onder afwijzing van de overige gevraagde voorzieningen. Rb.: Één van de voornaamste uitgangspunten van de Wvg is dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht. Dit uitgangspunt is in art. 1.2.1.a van de model-verordening, welke teneinde de gemeenten te ondersteunen in het formuleren van een gemeentelijk verstrekkingenbeleid en rechtsongelijkheid tegen te gaan, is ontwikkeld, neergelegd. Deze bepaling is door verweerder overgenomen in zijn eigen verordening. Verweerder erkent van art. 1.2.1.a, van de verordening afgeweken te zijn en legt hieraan art. 8.2 van de verordening ten grondslag. Ingevolge dit artikel beschikken B&W over de bevoegdheid in alle niet-voorziene situaties naar bevind van zaken te handelen. De Rb. is van oordeel dat door verweerder aan voornoemd artikel een onjuiste uitleg is gegeven. Art. 8.2 van de verordening ziet naar het oordeel van de Rb. op situaties waarin de verordening niet voorziet, hetwelk impliceert dat de betreffende situatie niet in de verordening is geregeld. Onderhavige situatie is echter wel degelijk geregeld in de verordening. Onderwerpelijke gang van zaken - een collectieve aanvraag voor (woon)voorzieningen door een instelling - is ingevolge art. 1.2 van de verordening, dat afbakent in welke gevallen een Wvg-voorziening kan worden toegekend, zelfs expliciet uitgesloten. Als enige uitzondering op art. 1.2.1.a, van de verordening geldt het collectief vervoer. Er moet dus in de overige gevallen altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt en de voorziening moet op die persoon gericht zijn. De Rb. is van oordeel dat verweerder door onderhavig verzoek als aanvraag in het kader van Wvg aan te merken en deze gedeeltelijk toe te wijzen, heeft gehandeld in strijd met art. 1.2.1.a, van de verordening. Beroep gegrond; verweerder dient nieuw besluit te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen