Rb. Limburg 1 september 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:9310
Het verzet is gegrond, omdat de rechtbank de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Er was namelijk discussie mogelijk over de juridische status van het betreffende pad. De rechtbank had deze kwestie daarom tijdens een zitting moeten behandelen. Bij de inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank echter tot het oordeel dat het pad, gelet op de feitelijke situatie en de uiterlijke kenmerken, duidelijk moet worden aangemerkt als een voet- en fietspad en niet als rijbaan. Voor weggebruikers is voldoende duidelijk dat het pad niet bedoeld is voor gemotoriseerd verkeer. Het verkeersbord en onderbord heeft daarom geen zelfstandig rechtsgevolg. De bezwaren tegen de betreffende besluiten zijn dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond verklaard. Wel heeft de rechtbank een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl