Rb. Limburg 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:11016
Verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een zorgcomplex op grond van de Wabo. Verzoeker is het niet mee eens met deze verlening. De gronden van verzoeker hebben betrekking op het deel waarop de wegontsluiting en de parkeerplaatsen ten behoeve van het zorgcomplex zullen worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, omdat de gemeenteraad het als categorie gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist. Van strijd met een goede ruimtelijke ordening is geen sprake. Het beroep is ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/2165 en ROE 26/731
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , uit Wessem, verzoeker
(gemachtigde: mr. P.A.M. van Hoef),
en
Burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder
(gemachtigde: B.G.J. Knubben).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: HO Kasku Wessem B.V., uit Susteren (vergunninghoudster).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een zorgcomplex aan [adres 1] te Wessem, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert in zijn beroepschrift een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of verweerder de omgevingsvergunning mocht verlenen.
2 De voorzieningenrechter beslist direct op het beroep van verzoeker en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het voorgaande betekent dat het beroep van verzoeker ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Omdat de voorzieningenrechter direct uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er valt immers geen voorlopige voorziening meer te treffen indien al een definitieve beslissing wordt genomen.
Procesverloop
3 Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een zorgcomplex aan [adres 1] te Wessem. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4 De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, [naam] , [naam] en [naam] namens vergunninghoudster en de gemachtigden van verzoeker en verweerder.
5 Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet aan de beoordeling van de zaak kan bijdragen beslist zij ook direct op het beroep van verzoeker.
Totstandkoming van het bestreden besluit
6 Verzoeker is woonachtig naast de beoogde parkeerplaatsen en wegontsluiting van het te realiseren zorgcomplex. Op 30 december 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een zorgcomplex.
6.1 Op 8 juli 2025 heeft verweerder een door vergunninghoudster ingediende aanvraag voor het kappen van twee bomen positief afgewezen. Het kappen van deze twee bomen is nodig voor het realiseren van de parkeerplaatsen en wegontsluiting van het zorgcomplex. Tegen deze positieve weigering heeft verzoeker bezwaar ingediend en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 29 januari 2026 het besluit van 8 juli 2026 geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tot op heden is deze beslissing op bezwaar nog niet genomen.
6.2 Het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Tegen het ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen ingediend. Verweerder heeft de aanvraag van vergunninghoudster beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend kan worden. Verweerder heeft de omgevingsvergunning op 19 februari 2026 aan vergunninghoudster verleend. De omgevingsvergunning bestaat uit vier activiteiten als bedoeld in de Wabo: bouwen (nieuw), slopen in beschermd stads- en dorpsgezicht, handelen in strijd met het bestemmingsplan en uitvoeren van werk of werkzaamheden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Omvang van het geding
7 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gronden van verzoeker betrekking hebben op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wessem, sectie B, nummer 1357, voor zover dat ziet op het deel dat naast verzoekers perceel is gelegen. Het betreft het deel waarop de wegontsluiting ten behoeve van het te realiseren zorgcomplex zich bevindt en de parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Tussen partijen is niet in geschil dat dit gebruik in strijd is met de bestemming ‘Groen’ van het bestemmingsplan ‘Oude kern Wessem’.
7.1 Verder kan de voorzieningenrechter enkel een oordeel geven over de op 19 februari 2026 verleende omgevingsvergunning en niet over de op 8 juli 2026 verleende positieve weigering voor het kappen van twee bomen. Daar heeft verweerder immers in een apart besluit over beslist. Verzoeker heeft daartegen bezwaar ingediend en verweerder moet daar nog een besluit op nemen. Overigens is deze positieve weigering op dit moment nog geschorst, hetgeen betekent dat de twee bomen op dit moment (nog) niet gekapt mogen worden.
Gesteld misbruik van het overgangsrecht
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wabo ingetrokken. Als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
8.1 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder gehouden was een termijn aan vergunninghoudster te stellen zoals bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat verweerder dit niet heeft gedaan en gelet op het lange verloop tussen de aanvraag en de uiteindelijke vergunningverlening is volgens verzoeker sprake van misbruik van het overgangsrecht, zodat volgens verzoeker een nieuwe aanvraag moet worden ingediend met toepassing van de Omgevingswet.
8.2 De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Op verweerder rust geen verplichting tot het toepassen van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet. Het verzoek om een besluit te nemen is ingediend op 30 december 2023 zodat de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Verklaring van geen bedenkingen
9. Verzoeker is van mening dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist zoals bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In onderhavig geval is volgens verzoeker geen sprake van het aanwijzen van een categorie gevallen waardoor geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad zou zijn vereist. Volgens verweerder is dat blijkens het raadsbesluit van 7 november 2023 wel het geval.
9.1 In artikel 6.5, eerste lid, van het Bor is bepaald dat voor zover een aanvraag betrekking heeft op planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo), de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in de hoofdzaak zal worden uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij sprake is van een tweetal uitzonderingen. Die uitzonderingen zijn hier niet aan de orde.
9.2 In artikel 6.5, derde lid, van het Bor is bepaald dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
9.3 De raad van de gemeente Maasgouw heeft in de raadsvergadering van 7 november 2023, neergelegd in het raadsbesluit van die datum, aangegeven dat voor de realisatie van een zorgcomplex, bestaande uit zestien zorgeenheden en één dienstwoning, voor het verlenen van 24 uurszorg, op het perceel [adres 2] in Wessem een verklaring van geen bedenkingen niet nodig is. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of dit kan worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen zoals bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor en er dus niet een verklaring van geen bedenkingen is vereist.
9.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeenteraad met het besluit van 7 november 2023 heeft beoogd om – zoals verweerder ook primair in het verweerschrift heeft gesteld – een categorie van gevallen aan te wijzen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Alhoewel het raadsbesluit concreet en specifiek is, stelt de voorzieningenrechter vast dat meerdere uitvoeringen van het project onder deze aanwijzing kunnen vallen en het geen ingegoten plan voor een specifieke aanvraag betreft. Die aanvraag is pas nadien ingediend. Overigens merkt de voorzieningenrechter op dat het raadsbesluit en de verleende omgevingsvergunning verschillende adressen noemen, maar dat het om dezelfde locatie gaat.
Is het raadsbesluit juist tot stand gekomen?
9.5 Volgens verzoeker was de raadsvergadering van 7 november 2023 onzorgvuldig. De voorzieningenrechter overweegt dat de gemeenteraad een politieke beslissing heeft genomen over de vraag of de gemeenteraad iets te zeggen wil hebben over de toekomstige aanvraag op de betreffende locatie in Wessem of dat die beslissing wordt overgelaten aan verweerder. De voorzieningenrechter toetst in deze procedure de beslissing van verweerder inhoudelijk en niet de politieke beslissing van de gemeenteraad om niet bij de beoordeling van de vergunningaanvraag betrokken te willen worden.
Publicatie aanvraag en ontwerpbesluit
10. Voor zover verzoeker een beroep doet op het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerder verzoeker niet op de hoogte zou hebben gebracht van de plannen en dat er geen publicatie is geweest van het ontwerpbesluit in het weekblad van Maasgouw overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
10.1 De aanvraag van 30 december 2023 is op 11 januari 2024 gepubliceerd in het Gemeenteblad, dat overigens onder de Wabo geen verplichting was bij toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure die hier is gevolgd. Het ontwerpbesluit is op 27 november 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad waarbij tevens kenbaar is gemaakt wanneer het ontwerpbesluit ter inzage lag en dat er de mogelijkheid bestond voor het indienen van een zienswijze. Daarmee is voldaan aan de verplichting van verweerder tot kennisgeving. Het is aan verzoeker om deze berichtgeving in de gaten te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met goede ruimtelijke ordening
11. Verzoeker stelt dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat door het realiseren van de parkeerplaatsen en de wegontsluiting een uniek stuk groen op gemeentegrond verloren gaat en het rijksbeschermd dorpsgezicht wordt aangetast. De parkeerplaatsen hadden volgens verzoeker op het eigen terrein gerealiseerd moeten worden en de beoordeling van het principeverzoek, verzonden op 19 januari 2022, had gevolgd moeten worden.
11.1 Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan slechts een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
11.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het principeverzoek waar verzoeker naar verwijst, hier niet meer aan de orde is, maar enkel de omgevingsvergunning zoals deze is verleend. Dat de parkeerplaatsen en de ontsluitingsweg mogelijk op een andere plek gerealiseerd hadden kunnen worden maakt niet dat de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het principeverzoek zag op een ander plan dan het plan dat bij de vergunningaanvraag is ingediend.
11.3 De voorzieningenrechter ziet ook verder onvoldoende reden voor het oordeel dat verweerder de parkeerplaatsen en de ontsluitingsweg in strijd had moeten achten met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter begrijpt goed dat verzoeker niet blij is met het verdwijnen van het groen naast zijn woning, maar dat maakt het nog niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De komst van het zorgcomplex acht verweerder wenselijk gelet op de vergrijzing in de gemeente. De parkeerplaatsen en de ontsluitingsweg worden gerealiseerd ten behoeve van dat zorgcomplex. Daarnaast hebben verweerder en vergunninghoudster oog gehad voor het zoveel mogelijk terug laten komen van groen, maar dat dit gelet op de beschikbare ruimte slechts beperkt mogelijk is, hoefde voor verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden te zijn om de aanvraag in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12 Verweerder mocht de omgevingsvergunning verlenen aan vergunninghoudster. Het beroep is ongegrond en verzoeker krijgt dus geen gelijk.
12.1 Omdat het beroep ongegrond is bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
12.2 Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug en er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 13 oktober 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.