Rb. Limburg 29 september 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10386
Participatiewet, artikel 27, verlaging van de bijstand wegens wonen in een tent/geen woonkosten, 48% verlaging, verzoek toegewezen, voorlopig mag college 20% van de toepasselijke norm verlagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/2199
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Eckelrade, verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten
(gemachtigde: K.W.A. Borro), het college.
Samenvatting
1 Aan verzoekster is een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 1 juli 2026 naar de norm voor een alleenstaande, verlaagd met € 645,00 exclusief vakantietoeslag, omdat verzoekster niet in een woning woont. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over die verlaging van de bijstandsuitkering. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1 De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat de verlaging erg hoog is en niet goed is gemotiveerd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2 Verzoekster heeft op 27 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 augustus 2026 toegekend. Aan verzoekster is een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande (€ 1.419,46 per maand inclusief vakantietoeslag). Het college heeft de uitkering verlaagd met € 645,00 exclusief vakantietoeslag, omdat verzoekster niet in een woning woont. De uitkering bedraagt € 738,66 per maand inclusief vakantietoeslag. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1 Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
3 Verzoekster ontving sinds 2 december 2024 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Per 1 juli 2026 is deze uitkering beëindigd. Verzoekster heeft zich op 27 mei 2026 bij het college gemeld voor een bijstandsuitkering en op 8 juni 2026 een hiertoe strekkende aanvraag ingediend. Verzoekster heeft een postadres aan de [adres] te Eckelrade. Zij verblijft in een tent aan de [adres] te Eckelrade waar haar schapen staan. Het college heeft bij besluit van 11 augustus 2026 aan verzoekster een voorschot toegekend ter hoogte van € 668,32. Dat voorschot is verrekend met de bijstand van juli 2026, die in augustus 2026 is uitbetaald. Op 18 september 2026 heeft verzoekster de bijstand van augustus 2026 ontvangen ten bedrage van € 738,66 inclusief vakantietoeslag.
Is er een spoedeisend belang?
4 De voorzieningenrechter neemt in deze zaak het spoedeisend belang aan en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat verzoekster weliswaar onlangs € 738,66 heeft ontvangen, maar dat daar tegenover staat dat zij sinds juli 2026 beschikt over slechts € 738,66 per maand aan bijstand en zij heeft verklaard afhankelijk te zijn van derden om in haar levensonderhoud te voorzien.
Het geschil
5 Tussen partijen is in geschil of het college kon overgaan tot het verlagen van de bijstand met € 645,00 exclusief vakantietoeslag wegens de woonsituatie van verzoekster.
6 Volgens verzoekster heeft het college ten onrechte niet onderzocht hoe hoog haar kosten zijn. Zij stelt dat flessengas duurder is dan gas in een woning, de temperatuur in de tent schommelt, eten er sneller bederft, zij in de winter flink moet stoken, water moet worden aangevoerd, zij alleen draagbare elektriciteit gebruikt, zij alles via mobiele data doet en dat zij dieren heeft te voeren en fatsoenlijk wil eten. Ze heeft aangevoerd dat haar bijstand met 48% wordt gekort en dat de Centrale Raad van Beroep dat verboden heeft.
7 In het verweerschrift heeft het college opgemerkt dat de grondslag voor de verlaging van de bijstandsnorm is gelegen in artikel 27 van de PW. Het college heeft geen beleid hierover. Gekozen is om de gemiddelde kosten van een sociale huurwoning, te weten € 645,00 per maand, op de bijstandsnorm in mindering te brengen. Dat is volgens het college een redelijke benadering van de wooncomponent in de bijstandsnorm.
Het beoordelingskader
8 Op grond van artikel 27 van de PW kan het college de norm lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
8.1 Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27 van de Wet werk en bijstand, welke bepaling in essentie is overgenomen in artikel 27 van de PW, is van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie niet alleen sprake bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers, maar ook in geval van dak- en thuislozen. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. Een college is niet verplicht een verlaging op grond van dit artikel toe te passen. Als een college wel gebruik wil maken van deze verlagingsmogelijkheid, is voor de toepassing daarvan doorslaggevend dat niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
9. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster geen reguliere woning heeft, maar in een tent woont, die haar eigendom is en waarvoor ze geen huur hoeft te betalen.
9.1 De voorzieningenrechter volgt het college in zijn standpunt dat verzoekster aanzienlijk lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan de gemiddelde bijstandsgerechtigde. De gemiddelde bijstandsgerechtigde woont immers in een woning en heeft daarom reguliere woonlasten zoals huur of hypotheek, servicekosten, energielasten in de vorm van vaste contracten voor gas, water en elektriciteit en andere structurele woonkosten. De bijstandsnorm voorziet daarom in die kosten. Gelet op wat hiervoor in 8 en 8.1 is overwogen mag het college de bijstandsnorm van verzoekster daarom verlagen in verband met haar woonsituatie. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college echter onvoldoende gemotiveerd dat een verlaging van € 645,00 per maand (exclusief vakantietoeslag) recht doet aan de situatie van verzoekster. Daarvoor acht de voorzieningenrechter van belang dat, zoals het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven, hierbij geen rekening is gehouden met het feit dat huurders van een sociale huurwoning van gemiddelde huurprijs doorgaans ook huurtoeslag ontvangen, terwijl verzoekster daar geen recht op heeft. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat in de jurisprudentie kortingen van 20% van de bijstandsnorm of van het wettelijk minimumloon de toets der kritiek hebben kunnen doorstaan. Het verschil met de 48% die op de bijstandsnorm van verzoekster in mindering is gebracht acht de voorzieningenrechter erg groot. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat het college weliswaar in algemene zin rekening heeft gehouden met de door verzoekster genoemde kosten (van gas, water en elektra), maar deze niet heeft becijferd. In de bezwaarprocedure moet worden onderzocht en gemotiveerd of een verlaging van de bijstandsuitkering van verzoekster met 48% inclusief vakantiegeld kan worden gehandhaafd.
9.2 In afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure dient het belang van verzoekster bij voldoende middelen van bestaan te prevaleren boven het belang van het college bij het van kracht blijven van de verlaging in het bestreden besluit. Nu vaststaat dat enige verlaging van de bijstand op grond van artikel 27 van de PW mag worden toegepast en dat een verlaging van 20% van de bijstandsnorm in elk geval passend mag worden geacht, zal de voorzieningenrechter de hierna te noemen voorlopige voorziening treffen.
Conclusie en gevolgen
10 De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit voor zover het de verlaging van de bijstandsnorm per 1 juli 2026 met € 645,00 per maand (exclusief vakantiegeld) betreft en bepaalt dat voorlopig per 1 juli 2026 op de bijstandsnorm van verzoekster een verlaging mag worden toegepast van 20% van die norm. De voorlopige voorziening eindigt zes weken nadat het college de beslissing op bezwaar heeft genomen.
11 Dat betekent dat aan verzoekster een nabetaling moet plaatsvinden van bijstand over de maanden juli en augustus 2026. Mocht de verlaging uiteindelijk – na bezwaar en eventueel beroep en hoger beroep – hoger zijn dan de voorlopig toe te passen 20% van de bijstandsnorm, dan moet verzoekster bijstand terugbetalen aan het college.
12 Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er proceskosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen. Verzoekster heeft geen griffierecht betaald, zodat het college dit niet hoeft te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het primaire besluit van 12 augustus 2026, voor zover daarbij de bijstandsnorm van verzoekster per 1 juli 2026 is verlaagd met € 645,00 per maand (exclusief vakantiegeld);
bepaalt dat het college voorlopig per 1 juli 2026 de bijstandsnorm van verzoekster mag verlagen met 20% van die norm;
bepaalt dat deze voorziening vervalt zes weken nadat het college heeft beslist op het bezwaar van verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 september 2026