Rb. Limburg 29 september 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10300

Wet langdurige zorg (Wlz), afwijzing, blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen niet vast te stellen, afbakening Wlz en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/3106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken),
en
de Raad van bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Bruijs).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag om Wlz in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Eiser heeft op 19 februari 2025 een aanvraag ingediend voor langdurige zorg. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 24 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 december 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dat verzoek heeft de voorzieningenrechter met de uitspraak van 13 januari 2026 toegewezen.

2.2 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft het beroep aangevuld op 6 februari 2026, 23 februari 2026 en 3 september 2026. Daarop heeft verweerder gereageerd op 12 mei 2026 respectievelijk 9 september 2026.

2.3 De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [mentor] (mentor), [naam 1] (moeder eiser), [naam 2] (zusje eiser), [naam 3] (stiefvader eiser), de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [naam 4] (de medisch adviseur van verweerder).

Relevante feiten en omstandigheden

3 Eiser is een 19-jarige alleenstaande man. Hij woonde tot 18 mei 2026 bij zijn moeder, zusje en stiefvader. Vanaf 18 mei 2026 woont eiser in een woongroep van zorgaanbieder Pergamijn. Eiser is bekend met een autisme spectrum stoornis (ASS) en een genetische aandoening wat zich uit in een verstandelijke beperking. Als gevolg hiervan is sprake van een verminderde zelfredzaamheid, gedragsproblematiek (agressief en dwangmatig seksueel gedrag) en is eiser beperkt in zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), waaronder zijn zelfzorg, sociale interactie en het nemen van verantwoordelijkheid. Eiser gaat wekelijks naar de dagbesteding bij [locatie 1] . Eiser heeft een mentor en bewindvoerder ter behartiging van zijn zorg- en vermogensrechtelijke belangen.

4 In het verleden (in 2023) is namens eiser een Wlz-aanvraag gedaan, maar deze heeft niet tot een Wlz-indicatie geleid.

5 Op 19 februari 2025 is onderhavige Wlz-aanvraag gedaan. Op 19 maart 2025 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Eiser was daar niet bij aanwezig.

6 Met het besluit van 24 april 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat de noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel niet kon worden vastgesteld. Hieraan heeft verweerder een medisch advies van 17 april 2025 ten grondslag gelegd.

7 Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Naar aanleiding van de in bezwaar overgelegde (medische) stukken heeft de medisch adviseur op 13 november 2025 een medisch advies opgesteld. De medisch adviseur stelt de noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel vast, maar de blijvendheid van deze noodzaak kan echter nog niet worden vastgesteld. Verder stelt de medisch adviseur vast dat bij eiser sprake is van de grondslagen psychische aandoening en somatische aandoening, maar de grondslag verstandelijke handicap kan niet worden vastgesteld. Met het bestreden besluit is verweerder onder verwijzing naar dit medisch advies bij de afwijzing van de Wlz-aanvraag gebleven.

8 Tijdens deze beroepsprocedure is ook een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan, om met spoed voor zorg op grond van de Wlz in aanmerking te komen om verdere problemen en escalaties in de thuissituatie te voorkomen. Met de uitspraak van 13 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen, in die zin dat eiser gedurende deze beroepsprocedure zal worden behandeld alsof hij een Wlz-indicatie heeft. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak overwogen het een groot gemis te vinden dat de opgevraagde medische informatie van de behandelend psychiater ( [naam 5] ) ontbreekt en dat beide partijen hun best moeten doen om alsnog deze informatie te ontvangen. Verder is volgens de voorzieningenrechter van belang dat er uitsluitsel komt over het traject op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) over beschermd wonen (waarvoor eiser in december 2025 een melding heeft gedaan).

9 Naar aanleiding van de toegewezen voorlopige voorziening heeft verweerder bij besluit van 5 februari 2026 een Wlz-indicatie (VG 06 “Wonen met intensieve begeleiding en verzorging en gedragsregulering”) toegekend voor de periode van 13 januari 2026 tot en met 12 januari 2027. Naar aanleiding hiervan is een geschikte woonplek gezocht voor eiser, waarna eiser vanaf 18 mei 2026 is geplaatst bij zorgaanbieder Pergamijn. In het besluit staat dat de einddatum aangepast kan worden naar totdat op het beroep is beslist of het beroep is ingetrokken. Op de zitting is toegelicht dat dit indicatiebesluit zal worden ingetrokken als het beroep ongegrond wordt verklaard. Het tegen dit indicatiebesluit gemaakte bezwaar is overigens ingetrokken.

10 Naar aanleiding van eisers melding bij de gemeente voor beschermd wonen op grond van de Wmo heeft de gemeente onderzoek gedaan en de bevindingen daaruit weergegeven in een ‘Wmo-verslag’ van 18 februari 2026. In dit verslag concludeert de gemeente dat beschermd wonen op grond van de Wmo niet passend is voor eiser. Voor eiser is multidisciplinaire hulpverlening noodzakelijk (zoals bijvoorbeeld gedragskundigen en psychologen) en dat is volgens de gemeente niet mogelijk vanuit een Wmo beschermd wonen indicatie. Bovendien is het niet mogelijk om woonzorg binnen de gespecialiseerde verstandelijke gehandicapten (VG) sector in te kopen en de Wmo budgetten zijn hiervoor véél te beperkt volgens de gemeente.

10 Vervolgens heeft eiser het beroep ook nog meerdere keren aangevuld met actuele (medische) stukken. Naar aanleiding daarvan heeft de medisch adviseur op 12 mei 2026 en op 8 september 2026 aanvullende medische adviezen uitgebracht en een actuele medische beoordeling gemaakt van eisers situatie.

Beoordeling door de rechtbank

12 De rechtbank stelt voorop dat zorg op grond van de Wlz een vergaande vorm van zorg is waarop strikte toelatingscriteria van toepassing zijn. Er moet een noodzaak zijn tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Dit moet bovendien blijvend zijn, zonder mogelijkheden tot verbetering.

13 Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser een behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. De drie vastgestelde grondslagen (psychische stoornis, somatische aandoening en verstandelijke handicap) zijn nu ook niet meer in geschil. Evenmin is tussen partijen in geschil dat eiser door de aard en complexiteit van zijn aandoeningen gedurende zijn hele leven begeleiding en ondersteuning nodig zal hebben. In geschil is of eisers zorgbehoefte blijvend is in de zin van de Wlz.

De zorgvuldigheid van het (medisch) onderzoek

14 Eiser voert (kort samengevat) aan dat geen sprake is van een voldoende zorgvuldig onderzoek door verweerder. In een geval als dit, waar geen sprake is geweest van fysiek contact met een arts / medisch adviseur en in de bezwaarfase eiser door een arts / medisch adviseur moet worden onderzocht, had eiser in persoon gezien en gesproken moeten worden. Ten onrechte is dit niet gebeurd en de (aanvullende) medische adviezen zijn daarom ondeugdelijk en onzorgvuldig tot stand gekomen. Bovendien zijn de adviezen niet inzichtelijk en consistent en er bestaat aanleiding om aan de juistheid van het standpunt van de medisch adviseur te twijfelen. Daarbij komt dat eiser in de bezwaarfase een brief met bijlagen heeft ingediend en niet blijkt dat verweerder die bij de heroverweging in bezwaar heeft betrokken.

Wat vindt de rechtbank?

15 De rechtbank is van oordeel dat het (medisch) onderzoek zorgvuldig is geweest. Hiervoor vindt de rechtbank het volgende van belang.

15.1 Naar aanleiding van eisers Wlz-aanvraag is een onderzoek gestart. Er heeft op 25 maart 2025 een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij de moeder van eiser en een begeleider van Levanto aanwezig waren. Hoewel eiser zelf niet aanwezig was tijdens dit huisbezoek (omdat niet goed was begrepen dat eiser er ook moest zijn, zo staat toegelicht), is eiser wel in het kader van de eerdere Wlz-aanvraag in persoon gezien tijdens een huisbezoek op 11 december 2023. Op 17 april 2025 heeft de medisch adviseur een medisch advies uitgebracht. Hierin staat op inzichtelijke wijze aangegeven welke (medische) stukken betrokken zijn en welke onderzoeksactiviteiten zijn verricht. Er is dossieronderzoek verricht en daarbij is alle beschikbare (medische) informatie (ook die van eerdere aanvragen) betrokken. Verder zijn alle recentere (medische) stukken van de onderliggende aanvraag betrokken, waaronder de brieven van klinisch geneticus dr. [naam 6] , van psychiater [naam 5] , van kinderarts Drs. [naam 7] en stukken van de [locatie 2] . Uit het medisch advies blijkt dat eisers medische en psychiatrische voorgeschiedenis, zijn onderwijsverleden, werkverleden en woonverleden zijn betrokken. Vervolgens heeft de medisch adviseur de diagnostiek, behandelingen, behandeladviezen, de stoornissen en beperkingen in kaart gebracht. Naar aanleiding daarvan is de medisch adviseur tot een conclusie gekomen over de grondslagen die van toepassing zijn en eisers zorgbehoefte (“geen noodzaak voor 24 uur zorg per dag in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen”), en zijn enkele opmerkingen gemaakt over de blijvendheid daarvan (alhoewel dit feitelijk niet meer aan de orde was volgens de medisch adviseur).

15.2 Vervolgens is tijdens de bezwaarfase nader onderzoek gedaan naar de (medische) situatie van eiser. Er heeft telefonisch overleg plaatsgevonden met de gemachtigde en de bewindvoerder / mentor van eiser, de maatschappelijk werkster en de Wmo-consulent van de gemeente. Daarnaast is diverse keren geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met de heer [naam 8] (zorgadviseur Stichting Pergamijn). Verder is alle bekende en beschikbare (medische) informatie betrokken, ook de aanvullende (medische) informatie die tijdens de bezwaarfase is ontvangen. Verder heeft de medisch adviseur zelf nog aanvullende medische informatie opgevraagd. Op 15 oktober 2025 heeft de medisch adviseur nog gerichte vragen gesteld aan psychiater [naam 5] (hierna [naam 5] ). Hierop werd geen antwoord ontvangen en daarom is op 23 oktober 2025 een rappel gestuurd aan [naam 5] . Daarop is ook geen reactie gekomen. Wel is een brief van de orthopedagoog-generalist van Stichting Pergamijn ontvangen. Op 13 november 2025 heeft de medische adviseur op basis van de toen beschikbare medische informatie een nieuw medisch advies uitgebracht.

15.3 Tijdens de beroepsfase heeft eiser zijn beroep aangevuld met aanvullende medische informatie, waaronder een hernieuwde medische verklaring van [naam 5] (van 2 februari 2026). Naar aanleiding hiervan heeft de medisch adviseur tijdens de beroepsfase aanvullend onderzoek gedaan: er zijn gerichte vragen gesteld aan de klinisch geneticus en de huisarts en er is aanvullende medische informatie ontvangen. Eiser heeft op 11 maart 2026 aanvullende informatie van de gedragskundige van Pergamijn overgelegd. Vervolgens heeft de medisch adviseur op 24 april 2026 nog gerichte vragen gesteld aan de zorgadviseur van Pergamijn, die op 11 mei 2026 zijn beantwoord. Op 12 mei 2026 heeft de medisch adviseur een aanvullend medisch advies uitgebracht waarin alle tijdens de beroepsfase beschikbaar gekomen nieuwe medische informatie is betrokken. Daarna heeft eiser het beroep aangevuld met onder meer informatie van de gedragskundige van Pergamijn ( [naam 9] ). In reactie hierop heeft de medisch adviseur op 8 september 2026 een aanvullend medisch advies opgesteld.

15.4 Uit de processtukken en uit wat op de zitting is besproken, komt naar voren dat het voor eiser en zijn familie een zeer belangrijk punt is dat eiser niet in persoon is gezien, onderzocht en gesproken door de medisch adviseur, dat verweerder desondanks een oordeel heeft gegeven over zijn medische situatie en de Wlz-aanvraag heeft afgewezen. De rechtbank onderkent en begrijpt ook dat dit belangrijk is voor eiser en zijn familie en zij zich daarbij onder meer afvragen hoe de medisch adviseur dan een goed medisch advies kan geven. Maar het feit dat eiser niet in persoon is gezien, onderzocht en gesproken door de medisch adviseur betekent in dit geval niet dat het (medisch) onderzoek daarom onzorgvuldig is. De medisch adviseur heeft toegelicht dat dit geen toegevoegde waarde zou hebben, mede gelet op de beschikbare (medische) informatie (en eiser overigens eerder wel is gezien bij een huisbezoek). Dat heeft de medisch adviseur in het aanvullende medisch advies van 8 september 2026 en op de zitting nogmaals toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de medisch adviseur het zien, onderzoeken en spreken van eiser in dit geval daarom niet noodzakelijk kon vinden voor de objectieve vaststelling van de psychische- en gedragsproblemen van eiser en de beoordeling – mede in dat licht – van de blijvendheid van zijn actuele intensieve zorgbehoefte. Op de zitting heeft eiser hierover nog toegelicht dat juist het spreekuurcontact een essentieel onderdeel van het onderzoek is en dat het zien en spreken van eiser wel wat had kunnen toevoegen, omdat dan bijvoorbeeld de vragen die toen leefden gesteld hadden kunnen worden. Daarover overweegt de rechtbank dat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de medisch adviseur op meerdere momenten tijdens het onderzoek (zowel tijdens de bezwaarfase als de beroepsfase) concrete vragen rechtstreeks aan onder meer de medische specialisten en eisers huisarts heeft gesteld. De medisch adviseur heeft vervolgens alle al beschikbare en nog ontvangen (medische) informatie betrokken (ook de informatie en toelichting die van eisers familie is verkregen) en op inzichtelijk wijze beschreven welke onderzoeksactiviteiten zijn verricht, welke personen zijn geraadpleegd en welke informatie is gevraagd en (niet) is verkregen. Voorzover eiser van mening was dat die verkregen (medische) informatie niet afdoende was, dan was er de mogelijkheid om die informatie zelf in winnen en te overleggen. Dat heeft eiser ook gedaan in bezwaar en beroep, en alle uiteindelijk beschikbare (medische) informatie is betrokken bij de medische advisering (ook de stukken die eiser en zijn familie nog op de hoorzitting hadden willen overleggen). Van belang is dat de medisch adviseur zich een goed beeld heeft kunnen vormen van eisers (medische- en zorg) situatie en dat het medisch advies gedragen wordt door de beschikbare (medische) informatie. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval.

15.5 Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de (aanvullende) medische adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
De medische beoordeling over de blijvendheid van de zorgbehoefte
16. Eiser voert (kort samengevat) aan dat hij voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de intensieve zorgbehoefte blijvend is en levenslang blijft bestaan, gelet op de beperkingen in ontwikkeling en gedrag. Dat wordt ook door meerdere personen en instanties aangegeven. Daarbij komt dat aan eiser een Wajong-uitkering is toegekend en hierbij is vastgesteld dat gezien de aard en de ernst van de aanwezige medische problematiek evidente verbetering in het functioneren niet of nauwelijks is te verwachten. Volgens eiser zijn er geen relevante behandelings- en begeleidingsmogelijkheden meer waardoor de zorgbehoefte zou kunnen verminderen. Eiser heeft namelijk al zijn hele leven behandelingen gehad en dat heeft niet tot verbetering geleid.
Wat vindt de rechtbank?
17. De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser door de aard van zijn aandoeningen gedurende zijn gehele leven begeleiding en ondersteuning nodig zal hebben. Eiser heeft namelijk terecht opgemerkt dat zijn aandoeningen niet zijn te genezen en dat daar blijvende beperkingen uit voortvloeien. Dat volgt ook uit de medische informatie en daarover zijn partijen het eens. Maar dat is niet waar het in deze zaak over gaat. De rechtbank beoordeelt namelijk de blijvendheid in de zin van de Wlz. Dat betekent dat moet worden onderzocht of er nog behandelingen en groei-, verbeter- en ontwikkelmogelijkheden zijn die leiden tot de situatie dat eiser niet langer behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid dan wel dit niet meer noodzakelijk is. De rechtbank hecht er daarbij aan te benadrukken dat dit niet hetzelfde is als tot zelfstandigheid komen. Met andere woorden: anders dan eiser (en zijn familie en zijn behandelaars) lijkt te veronderstellen, gaat het er daarbij niet om dat eiser zelfstandig zal worden. Het gaat erom of eiser zich nog zodanig kan ontwikkelen dat hij voldoende zelfstandig wordt om niet meer aangewezen te zijn op 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Uit paragraaf 2.1.4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 volgt dat onderbouwing van de blijvendheid gevonden kan worden in de levensloop (onder meer school en werk), de behandelgeschiedenis (welke interventies zijn gedaan en met welk resultaat) en de prognose door een ter zake kundige.
18. De rechtbank is van oordeel dat inzichtelijk is gemotiveerd dat de blijvendheid van de noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen op dit moment nog niet kan worden vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

18.1 In de (aanvullende) medische adviezen is voldoende gemotiveerd dat eiser zich nog zou kunnen ontwikkelen, waardoor op dit moment nog niet duidelijk is of eiser dezelfde intensiteit van zorg in de toekomst nodig zal hebben. In die medische adviezen beschrijft de medisch adviseur dat de blijvendheid van de noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen op dit moment daarom nog niet kan worden vastgesteld. De medisch adviseur vindt daarvoor onder meer de context / omgeving waarin eiser zich bevindt van belang, omdat dit van invloed is op zijn functioneren. Daarbij wijst de medisch adviseur er onder meer op dat uit de beschikbare informatie kan worden afgeleid dat in de thuissituatie van eiser sprake is van systeemproblematiek, waarbij regelmatig sprake is van agressie en eiser zich niet houdt aan afspraken en regels. Terwijl uit de informatie van school (waaronder ook over zijn stages) en over de dagbesteding bij [locatie 1] blijkt dat eiser wel in staat is om zich aan regels en afspraken te houden en dat hij daar ook een groei in zelfstandigheid heeft laten zien. Op de zitting is daarover weliswaar verteld dat het dan om 1-op-1 situaties gaat en daar dus niet die conclusie uit kan worden getrokken, maar dat kan niet worden afgeleid uit de informatie die daarover in het dossier beschikbaar is. Verder wijst de medisch adviseur op de evaluatie van [locatie 3] van juni 2025, waaruit blijkt dat wonen in het gezinssysteem niet langer passend is voor eiser en dat een kleinschalige woongroep met duidelijke structuur, nabijheid en deskundige begeleiding wordt geadviseerd waarin eiser (onder meer) kan werken aan emotieregulatie, zelfredzaamheid en voorbereiding op verdere zelfstandigheid. Uit deze informatie kon de medisch adviseur de conclusie trekken dat er dus nog perspectief lijkt te zijn en ook lijkt te worden gezien in eisers ontwikkeling. De medisch adviseur betrekt daarbij ook dat eisers gedrag thuis is gericht op zijn moeder en als doel lijkt te hebben om ‘uit huis’ te kunnen. Daarnaast vindt de medisch adviseur van belang dat de zelfredzaamheid en zelfverzorging van eiser in de thuissituatie weliswaar beperkt is, maar dat nog geen professionele inzet heeft plaatsgevonden die specifiek gericht is op het vergroten van zelfredzaamheid in een andere context (buitenshuis) en die passend is bij de volgende levensfase van eiser. Gewezen wordt op bijvoorbeeld het wonen in een trainingshuis of begeleid / beschermd wonen via de Wmo. Daarbij heeft de medisch adviseur ook de nog relatief jonge leeftijd van eiser (hij is geboren op [geboortedatum] 2007) betrokken. Gelet hierop heeft de medisch adviseur naar het oordeel van de rechtbank kunnen vaststellen dat eiser nog kan groeien in zelfredzaamheid en nu dus nog geen sprake is van een eindsituatie in eisers zelfredzaamheid (en dus van blijvendheid). De medisch adviseur is daarbij ook ingegaan op de Wajong-uitkering die eiser ontvangt en heeft voldoende toegelicht dat dit nog niet betekent dat bij de Wlz-aanvraag dan van blijvendheid kan of moet worden gesproken.

18.2 Psychiater [naam 5] (en overigens ook andere behandelaars van eiser) beschrijft weliswaar meerdere malen uitdrukkelijk dat behandeling niet zal leiden tot herstel of normalisering en dat eiser ook in zijn volwassenheid substantiële begeleiding en zorg nodig zal hebben, maar dat is als al gezegd niet wat in deze zaak ter beoordeling staat. De medisch adviseur heeft er terecht op gewezen dat het hier gaat om een zodanige vermindering van de zorgbehoefte waardoor eiser niet langer is aangewezen op een noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. De medisch adviseur heeft toegelicht waarom dat nu nog niet kan worden vastgesteld. Dat [naam 5] beschrijft dat gedurende eisers ontwikkeling sprake is geweest van beperkte groei in cognitieve en adaptieve vaardigheden wat resulteert in blijvende beperkingen in eisers functioneren, maakt dit niet anders. Op basis daarvan is namelijk nog niet vast te stellen dat – anders dan de medisch adviseur gemotiveerd toelicht – dan ook sprake is van de vereiste blijvendheid in de zin van de Wlz. De medisch adviseur heeft voldoende toegelicht dat uit onder meer de medische informatie van [naam 5] niet is vast te stellen dat er geen verbetering meer mogelijk is. Dit is ook niet vast te stellen op basis van de hernieuwde medische verklaring, waarin staat dat de ingezette behandeling bestond uit farmacotherapie, psycho-educatie, ondersteuning gezinssituatie, cognitieve gedragstherapie en creatieve therapie. De medisch adviseur kon er daarbij op wijzen dat dit algemene informatie is en daaruit bijvoorbeeld niet blijkt hoe lang de behandeling heeft plaatsgevonden, tot welke resultaten de behandeling heeft geleid en wat de reden is dat de behandeling niet effectief is geweest. Concrete (medische) informatie over de (eerdere) behandelingen (zoals behandelverslagen) ontbreekt (nog steeds), terwijl de medisch adviseur daar meermaals en concreet om heeft gevraagd. Ook bij de huisarts. De medisch adviseur kon zich daarom op het standpunt stellen dat er onvoldoende informatie is over de (gevolgde) behandelingen. Op basis van de beschikbare medische stukken van onder meer [naam 5] (en de overige behandelaars) kan dan ook niet worden vastgesteld dat eiser geen baat meer zou kunnen hebben bij verdere begeleiding en behandeling en dat dit niet meer zou kunnen leiden tot verbetering van eisers zelfredzaamheid.

18.3 Verder heeft de medisch adviseur de actuele informatie van de gedragskundige van Stichting Pergamijn ( [naam 9] ) betrokken. De gedragskundige beschrijft uitgebreid de situatie van eiser en concludeert (kort gezegd) dat eiser blijvend is aangewezen op een beschermde woonomgeving met voortdurend beschikbaarheid van zorg en begeleiding en dat die zorgbehoefte naar verwachting levenslang van aard is en passend bij een zorgprofiel op het niveau van VG06. De rechtbank is van oordeel dat de medisch adviseur voldoende heeft toegelicht dat deze informatie niet tot de conclusie leidt dat nu al moet worden gezegd dat geen verbetering in eisers situatie meer mogelijk of te verwachten is. De medisch adviseur heeft uitgelegd dat het niet de verwachting is dat eiser volledig zelfstandig zal kunnen functioneren, maar dat het noodzakelijk is dat eiser vanuit een veilige en stabiele basis de ruimte krijgt om te profiteren van professionele behandeling en dat de periode van eisers verblijf bij Pergamijn (nu ruim 3,5 maand) nog te kort is om vanuit de eerdere (beperkende) thuissituatie nu in een andere externe setting een situatie van stabiliteit en rust te bereiken en een vertrouwensband met de begeleiders op te bouwen. Dat eerst een periode van stabilisatie nodig is, blijkt overigens ook uit een e-mail van de zorgadviseur, waarin is benoemd dat eiser in de eerste periode (“zeker een half jaar…?”) op een ‘terrein woongroep’ geplaatst moet worden waar gewerkt wordt aan ‘bepaalde kaders stellen’ om risicovol gedrag te verlagen / reguleren in een omgeving waar niet alleen eiser maar ook zijn begeleiders zich veilig voelen. Dat uit de informatie van [naam 9] (en de toelichting op de zitting over onder meer de recente incidenten en de situatie bij [locatie 1] ) weliswaar kan worden afgeleid dat het momenteel (nog steeds) niet goed (dan wel beter) gaat met eiser (onder meer ook vanwege oplopende spanningen in aanloop naar de behandeling van deze zaak) is volgens de medisch adviseur begrijpelijk, nu eiser niet de handvatten heeft om daarmee om te gaan en die ook niet krijgt omdat geen behandeling plaatsvindt. De rechtbank kan de medisch adviseur hierin volgen. Dat die daar nu nog geen termijn aan kan verbinden, vindt de rechtbank ook begrijpelijk. Op de zitting is in dat verband vastgesteld dat nog geen behandeling heeft plaatsgevonden sinds eiser bij Pergamijn verblijft. Daarvoor zijn weliswaar redenen gegeven (omdat eiser mede vanwege de onzekerheid over zijn verblijf bij Pergamijn nog niet stabiel genoeg is en volgens eiser ook vanwege financiële redenen, omdat het onduidelijk is of hij daar wel kan blijven), maar dat doet er niet aan af dat er nog geen behandeling plaatsvindt en dus op dit moment ook nog niet kan worden vastgesteld dat behandeling niet tot verbetering leidt. Weliswaar schrijft [naam 9] dat het eiser niet lukt om aangeleerde vaardigheden te generaliseren naar andere situaties, maar gelet op het voorgaande is die constatering nu nog niet voldoende doorslaggevend voor een ander oordeel. Dat geldt ook voor de constatering van de begeleiders van de dagbesteding dat sprake is van beperkte leerbaarheid en dat eiser niet in staat is vaardigheden om te zetten naar dagelijkse situaties.

18.4 Het voorgaande komt er in de kern op neer dat in de medische adviezen voldoende is toegelicht dat op dit moment, gelet op de huidige situatie en rekening houdende met de nu beschikbare informatie en de actuele stand van zaken over mogelijke behandelingen, (nog) niet kan worden vastgesteld dat geen verbetering in eisers zelfredzaamheid meer mogelijk is. Dit betekent dat verweerder zijn besluit om de Wlz-aanvraag van eiser af te wijzen kon en mocht baseren op de medische adviezen. Verweerder heeft zich daarom onder verwijzing naar die medische adviezen terecht op het standpunt gesteld dat nu nog niet is komen vast te staan dat eiser levenslang is aangewezen op een blijvende behoefte aan 24 uur per dag in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Om die reden is er ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals eiser heeft gevraagd.

18.5 Tot slot heeft eiser onder verwijzing naar het Wmo-verslag nog aangevoerd dat de Wmo niet de ondersteuning kan bieden die hij nodig heeft. De Wmo-consulent heeft immers geadviseerd dat vanuit de Wmo niet de noodzakelijke gespecialiseerde begeleiding geboden kan worden en het vanuit de Wmo niet mogelijk is om woonzorg binnen de gespecialiseerde verstandelijke gehandicapten sector in te kopen, omdat de Wmo budgetten hiervoor veel te beperkt zijn. Dit staat in deze procedure echter niet ter beoordeling, want het beroep gaat niet over de Wmo maar over de Wlz-aanvraag. De rechtbank begrijpt dat eiser(s ouders) de zorg voor eiser zo goed mogelijk willen regelen, maar dat neemt echter niet weg dat de rechtbank in dit beroep gehouden is om te beoordelen of de besluitvorming van verweerder over de Wlz-aanvraag rechtmatig is. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag van eiser voor zorg op grond van de Wlz op goede gronden heeft afgewezen. Daarbij is aandacht geweest voor de Wmo-melding, waarover contact is geweest met de gemeente. Voorzover sprake is van een probleem om de zorg voor eiser binnen het beschermd wonen aanbod op grond van de Wmo te realiseren, is dat (hoe schrijnend en onwenselijk ook voor eiser) geen reden om daarom toch zorg op grond van de Wlz toe te kennen.
19. De rechtbank beseft zich dat dit geen wenselijke uitkomst is voor eiser, met name niet nu hij sinds 18 mei 2026 verblijft bij Pergamijn, daar volgens iedereen op een goede plek zit en stabiliteit, zekerheid en duidelijkheid daarbij van groot belang is. Het is ook niet wenselijk (voor zijn ontwikkeling) dat hij weer zou moeten terugkeren naar de thuissituatie omdat hij niet langer bij Pergamijn zou kunnen verblijven als deze tijdelijke Wlz-indicatie wordt ingetrokken naar aanleiding van deze uitspraak. Dat is echter (helaas) het gevolg van de beperkte beoordeling die de rechtbank in dit beroep kan, mag en moet maken, namelijk enkel en alleen of de aanvraag om Wlz-zorg terecht is afgewezen. De rechtbank kan geen oordeel geven over de Wmo-melding of dit bij dit beroep over de Wlz-aanvraag betrekken. Op de zitting is dit besproken en de gemachtigde van verweerder heeft toen het voorstel gedaan om met de afdeling Wmo van de gemeente in gesprek te gaan over en mee te denken met de afbakening tussen de Wmo (als daar een aanvraag voor wordt gedaan) en de Wlz en aangegeven bereid te zijn om de tijdelijke Wlz-indicatie door te laten lopen totdat dit geregeld is. Eiser heeft dit voorstel niet geaccepteerd, omdat hij van mening is dat hij wel aan de voorwaarden van de Wlz voldoet. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is en heeft hiervoor toegelicht hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank merkt hierover nog wel op dat het partijen uiteraard vrij staat om naar aanleiding van deze uitspraak en de onwenselijke – mogelijk tijdelijke – gevolgen hiervan voor eiser alsnog contact te hebben, met elkaar en mogelijk de gemeente in gesprek te gaan over de afbakening tussen de Wlz en de Wmo en te onderzoeken of het voorstel van de gemachtigde van verweerder voor een tijdelijke oplossing tijdens dat proces (nog steeds) een optie is.
Heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden?
20. Eiser voert aan dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.
21. Verweerder heeft in het verweerschrift erkend (en op de zitting bevestigd) dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder kan dit gebrek worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu eiser daardoor niet is benadeeld. Dat is in het verweerschrift toegelicht. De rechtbank volgt verweerder hierin en vindt hiervoor van belang dat eiser in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten naar voren te brengen. Dat heeft hij ook gedaan door meerdere malen aanvullende stukken in te dienen en ook op de zitting heeft hij (en ook zijn gemachtigde en familie) alles kunnen zeggen wat hij (en zij) wenste(n). Hoewel de rechtbank onderkent dat het voor eiser en zijn familie belangrijk was geweest om hun verhaal tijdens een hoorzitting naar voren te brengen, vindt de rechtbank aannemelijk dat eiser uiteindelijk niet is benadeeld omdat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat als de hoorzitting wel had plaatsgevonden, de rechtbank dan (mede gelet op de informatie die in beroep wel is betrokken) nog steeds had geoordeeld dat verweerder de Wlz aanvraag terecht heeft afgewezen. De uitkomst zou dan dus niet anders zijn geweest. De rechtbank passeert daarom dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Wel is een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de orde vanwege dit gebrek, en dat heeft verweerder op de zitting erkend.
De grondslag verstandelijke handicap
22. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte de grondslag verstandelijke handicap niet heeft vastgesteld. Hoewel verweerder deze grondslag inmiddels in beroep wel heeft vastgesteld naar aanleiding van de verklaring van de gedragskundige van Pergamijn, had verweerder deze grondslag volgens eiser van meet af aan al kunnen vaststellen op basis van de stukken. De grondslag had al in bezwaar kunnen worden vastgesteld, waardoor eiser een proceskostenvergoeding in bezwaar had moeten worden toegekend.
23. De rechtbank stelt vast dat het enkel nog gaat over de proceskosten in bezwaar, omdat uit de vorige rechtsoverweging al volgt dat de proceskosten (en het griffierecht) in beroep worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat het voor de beoordeling hiervan niet relevant is of verweerder al eerder (namelijk in het bestreden besluit) tot de vaststelling van de grondslag verstandelijke handicap had moeten komen. De wijziging of aanvulling van de motivering van het primaire besluit na de bezwaarfase in het bestreden besluit, waarbij de uiteindelijke uitkomst van dat besluit wordt gehandhaafd, leidt namelijk niet tot herroeping in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Voorzover eiser dus al gelijk zou hebben met zijn standpunt over de grondslag verstandelijke handicap in het bestreden besluit – waarover de rechtbank nu geen oordeel geeft – dan was het rechtsgevolg (de afwijzing van de aanvraag om Wlz) hetzelfde geweest. De vaststelling van de grondslag verstandelijke handicap leidt er namelijk niet toe dat eiser wel aan de Wlz-voorwaarden voldoet, omdat in het bestreden besluit al staat en in het voorgaande is bevestigd dat de blijvendheid van eisers zorgbehoefte niet kan worden vastgesteld. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten in bezwaar bestaat daarom geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van de Wlz-aanvraag gehandhaafd blijft en eiser daarover dus geen gelijk krijgt.
25. Het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit (schending hoorplicht) brengt mee dat de rechtbank verweerder veroordeelt in de proceskosten van eiser in beroep. Die proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dit levert een proceskostenvergoeding op van twee punten met een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan € 1.868,-. Daarbij heeft eiser nog reis- en verblijfskosten gemaakt van € 18,88. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 1.886,88.
26. Ook moet verweerder het in beroep betaalde griffierecht (van € 53,-) aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep van € 1.886,88;

- draagt verweerder op het in beroep betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr.N.H.C. Schroeten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken