Rb. Limburg 2 april 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:3092

Civiel recht. Bodemzaak. In deze zaak zijn eerder tussenvonnissen gewezen op 24 april 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:1997), 18 december 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:9631) en 5 februari 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:967). Naar aanleiding van de akten van partijen behandelt de rechtbank een aantal onderwerpen. Allereerst gaat de rechtbank in op het verzoek van gedaagde om aanpassing van de tweede subvraag bij hoofdvraag 6 van het tussenvonnis van 18 december 2024. De rechtbank constateert dat die subvraag een evidente verschrijving bevat die de rechtbank in dit tussenvonnis corrigeert. Verder oordeelt de rechtbank over het bezwaar van eiser tegen de beslissing van de rechtbank om het Openbaar Ministerie de gelegenheid te geven de op de zaak betrekking hebbende bescheiden in te zien in het kader van artikel 42 lid 1 Rv. Artikel 42 lid 1 Rv schrijft dwingend voor hoe op een op artikel 42 Rv gebaseerd verzoek dient te worden beslist. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 5 februari 2025 al uitgelegd waarom moet worden beslist zoals is beslist, te weten dat de verzochte inzage niet kan worden geweigerd. De bedoelde bepaling voorziet niet in de verplichting om partijen op dat verzoek te horen alvorens daarop te beslissen, omdat een verzoek van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 42 Rv niet kan worden afgewezen. De rechtbank informeert partijen dat het Openbaar Ministerie op 11 maart 2025 het dossier heeft ingezien op de rechtbank. Het verzoek van eiser om het vonnis van 5 februari 2025 en de e-mails van het Openbaar Ministerie betreffende het verzoek ex artikel 42 Rv niet aan de te benoemen deskundige ter beschikking te stellen, passeert de rechtbank. Het bedoelde vonnis is gepubliceerd op de website “rechtspraak.nl” en is dus openbaar en voor iedereen te raadplegen. Uit dat vonnis blijkt de inhoud van de e-mails. De door eiser bedoelde e-mails van het Openbaar Ministerie aan de rechtbank betreffen bovendien processtukken. Aan de deskundige dienen alle processtukken van deze zaak ter beschikking te worden gesteld. Eiser heeft de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank het vonnis van 5 februari 2025 en de meergemelde e-mails aan de deskundige voorlegt, een mondelinge behandeling te gelasten. Dat verzoek wijst de rechtbank af, omdat gelet op de te verwachten professionaliteit van een te benoemen deskundige, er geen noodzaak is een mondelinge behandeling te gelasten. In hun aktes van 29 januari 2025 hebben partijen dezelfde deskundige ter benoeming voorgedragen. De rechtbank heeft deze deskundige benaderd en in kennis gesteld van de vraagstelling die beantwoord zal moeten worden, waarop hij heeft laten weten een benoeming niet te kunnen aanvaarden, omdat de opdracht zijns inziens te omvangrijk is om te kunnen combineren met het dagelijkse werk. De rechtbank stelt partijen daarom in de gelegenheid om zich opnieuw uit te laten over de persoon van een te benoemen deskundige.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen